Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2704

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
10-3252 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Onvoldoende spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3252 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

de Minister van Justitie (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 mei 2010, 09/1223 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

verzoeker

Datum uitspraak: 26 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 6 november 2008 heeft verzoeker het verzoek van betrokkene, werkzaam als senior penitentiair inrichtingswerker bij de Penitentiaire Inrichting Amsterdam, om langer te mogen doorwerken nadat zij 60 jaar is geworden, afgewezen. Bij besluit van 18 februari 2009 heeft verzoeker betrokkene ontslag verleend op grond van artikel 97, eerste en tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement wegens het bereiken van de leeftijd van 60 jaar. De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 16 juni 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 16 juni 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, verzoeker gelast om, met inachtneming van hetgeen zij in haar uitspraak heeft overwogen, binnen acht weken na verzending van haar uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen en bepalingen gegeven met betrekking tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het aan betrokkene gegeven functioneel leeftijdsontslag in strijd is met het verboden onderscheid van artikel 3 van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid.

3. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en tevens de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de aangevallen uitspraak, voor zover het de gegrondverklaring van het beroep tegen het ontslag betreft, wordt geschorst. Daartoe heeft verzoeker bij brief van 25 juni 2010 uiteengezet dat uitvoering van de aangevallen uitspraak meebrengt dat hangende het hoger beroep het dienstverband met betrokkene moet worden hersteld waarmee ook betrokkene niet is gediend als de uitspraak in hoger beroep wordt vernietigd. Voorts is aangevoerd dat het landelijk het beleid van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) is om verzoeken tot opschorting van functioneel leeftijdsontslag af te wijzen vanwege ingrijpende reductiemaatregelen waarmee DJI te kampen heeft en dat als deze reductiemaatregelen geen dienstbelang vormen om een verzoek tot opschorting van functioneel leeftijdsontslag af te wijzen, van de aangevallen uitspraak een groot precedentwerking uitgaat die kan leiden tot een toename van het aantal herplaatsingskandidaten.

4. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet, hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende spoedeisend belang. De enkele opvatting van verzoeker dat de aangevallen uitspraak geen stand zal houden en dat een uitvoering van de aangevallen uitspraak niet in het belang van betrokkene is indien die uitspraak in hoger beroep zal worden vernietigd, is onvoldoende om tot een spoedeisend belang te concluderen die het treffen van een voorlopige voorziening kan rechtvaardigen. Voorts geldt dat de aangevallen uitspraak slechts van directe betekenis is voor de rechtsverhouding tussen verzoeker en betrokkene, zodat verzoeker hangende het hoger beroep niet gehouden is om op basis van de aangevallen uitspraak soortgelijke verzoeken te honoreren.

5. Uit het vorenstaande volgt dat niet is voldaan aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is en moet worden afgewezen.

6. De voorzieningenrechter acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.W.J. Hospel.

JvS