Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2700

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
10-3037 Wajong-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is door verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onverwijlde spoed die noopt tot het treffen van de verzochte voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3037 Wajong-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

verzoekster,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 19 maart 2010, 09/320 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekster

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast, advocaat te Voorburg, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Tevens heeft mr. Juchter van Bergen Quast namens verzoekster een verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verzoeker desgevraagd, bij schrijven van 29 juni 2010, nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2010. Voor verzoekster is verschenen mr. Juchter van Bergen Quast. Het Uwv is met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 29 januari 2009 is ongegrond verklaard het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 8 oktober 2008, waarbij het Uwv heeft geweigerd terug te komen van zijn besluit van 15 oktober 2007. Bij laatstgenoemd besluit heeft het Uwv geweigerd aan verzoekster een uitkering ingevolge Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen, omdat verzoekster op en na 8 augustus 2007 minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht.

2. Bij uitspraak van 19 maart 2010 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 29 januari 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft verzoekster zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. Ten aanzien van de vraag of in het geval van verzoekster sprake is van onverwijlde spoed overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4.3. Namens verzoekster is desgevraagd aangevoerd dat de spoedeisendheid is gelegen in de omstandigheid dat zij baat heeft bij het zo spoedig mogelijk gebruik kunnen maken van de re-integratieinstrumenten die de Wet Wajong biedt aan jonggehandicapten die recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Volgens verzoekster heeft de huidige situatie een sterk nadelig effect op haar gezondheidstoestand. Ter zitting heeft haar gemachtigde daaraan toegevoegd dat elke maand die verzoekster langer in de huidige situatie zit, haar verder in de put brengt. Ter zitting is verzocht verzoekster alsnog in de gelegenheid te stellen dit standpunt nader te onderbouwen met een medische verklaring.

4.4. In de onderhavige zaak is naar het oordeel van de voorzieningenrechter door verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onverwijlde spoed die noopt tot het treffen van de verzochte voorlopige voorziening. In dat verband laat de voorzieningenrechter in het bijzonder wegen dat verzoekster haar stelling dat het voortduren van de huidige situatie haar gezondheidstoestand ernstig zal verslechteren, niet aan de hand van enig medisch gegeven aannemelijk heeft gemaakt. Concrete medische gegevens die het gestelde acute karakter van verzoeksters situatie aannemelijk maken of althans kunnen dienen als een begin van bewijs dat het voor verzoekster medisch niet verantwoord is de bodemprocedure af te wachten, bevinden zich niet in het dossier. Nu evenmin is kunnen blijken dat er op korte termijn enig concreet vooruitzicht bestaat op het voorhanden komen van dergelijke gegevens, acht de voorzieningenrechter het niet aangewezen verzoekster, zoals ter zitting verzocht, thans nog in de gelegenheid te stellen een nadere onderbouwing van haar standpunt te leveren.

4.5. Ook anderszins is niet kunnen blijken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.

5. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.

RK