Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2699

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
08-4484 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4484 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 juni 2008, 07/1939 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug, gevestigd te Zeist (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 13 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat te Zeist, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere informatie verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2010. Appellant is met voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door V.V. Tuchkova, werkzaam bij de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (RSD).

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 11 augustus 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.

1.2. Naar aanleiding van een telefonisch verzoek om informatie van appellant van 24 november 2006 over de mogelijkheid om met behoud van bijstand een eigen stukadoorsbedrijf te beginnen, heeft de RSD een onderzoek ingesteld. Daarbij is onder meer gebleken dat appellant zich in verschillende advertenties, die hij in de periode van 29 september 2006 tot en met 20 november 2006 op Marktplaats.nl had gezet, heeft aangeboden als ervaren stukadoor en als startend schoonmaakbedrijf met ruime ervaring en verder twee kamers te huur heeft aangeboden. Daarnaast is gebleken dat appellant vanaf 30 mei 2002 bij de Kamer van Koophandel stond ingeschreven met zijn bedrijf [naam bedrijf] Om het recht op bijstand te kunnen vaststellen heeft de RSD appellant bij brief van 13 december 2006 verzocht om een aantal gegevens en bewijsstukken te verstrekken en hem uitgenodigd voor een gesprek op 21 december 2006. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de RSD appellant bij brief van 22 december 2006 nogmaals om dezelfde gegevens verzocht en gevraagd om nadere informatie te verstrekken voor 5 januari 2007. Het betrof onder andere informatie over een advertentie van appellant waarin hij op zoek was naar een ervaren stukadoor, over de aan- en verkoop van diverse auto's, de waarde van aandelen, bankafschriften en belastingaangiften en -teruggaven. Aangezien appellant aan dit verzoek geen gehoor heeft gegeven is zijn recht op bijstand bij besluit van 5 januari 2007 met ingang van die datum opgeschort en is hij andermaal in de gelegenheid gesteld de gevraagde gegevens, nu uiterlijk op 19 januari 2007, aan te leveren. Bij brief van 11 januari 2007 heeft appellant enkele gegevens, waaronder de gevraagde bankafschriften, alsnog verstrekt.

1.3. Bij besluit van 13 februari 2007 is namens het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist (hierna: College) besloten om de bijstand over de periode van 17 juli 2006 tot en met 5 januari 2007 in te trekken. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant gezien de aard en omvang van de werkzaamheden is aan te merken als zelfstandige. Aangezien hij de werkzaamheden en het bedrag van de inkomsten niet heeft gemeld kan zijn recht op bijstand niet worden vastgesteld. Bijstand zou alleen als lening kunnen zijn verstrekt onder toepassing van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.

1.4. Bij besluit van 13 maart 2007 zijn namens het College de over de periode van 11 augustus 2006 tot en met 14 december 2006 betaalde kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 4.027,73.

1.5. In het kader van de behandeling van de tegen deze besluiten ingediende bezwaarschriften is appellant nogmaals in de gelegenheid gesteld om nog ontbrekende informatie te verstrekken. Daarnaast is hem gevraagd bewijsstukken over te leggen van de waarde op 1 juli 2006 van de bij hem in bezit zijnde aandelen en van de herkomst van enkele stortingen op zijn bankrekening van 22 en 29 augustus 2006. Bij brief van 18 mei 2007 is namens appellant aangegeven dat een deel van de gevraagde informatie al bij de RSD bekend is en dat hij de overige gevraagde informatie niet kan verstrekken omdat hij daarover niet beschikt.

1.6. Bij besluit van 5 juni 2007 heeft de directeur van de RSD namens het College het bezwaar gegrond verklaard. Het besluit van 13 februari 2007 is voor wat betreft de periode gecorrigeerd en met een aangepaste motivering gehandhaafd. Het recht op bijstand van appellant is over de periode van 11 augustus 2006 tot en met 5 januari 2007 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB ingetrokken op de grond dat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld. Het besluit van 13 maart 2007, waarbij de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 11 augustus 2006 tot en met 14 december 2006 op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB zijn teruggevorderd, is gehandhaafd. Het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten is afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 juni 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft onder meer aangevoerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat de directeur van de RSD bevoegd was om het besluit van 5 juni 2007 te nemen, zodat naar zijn mening sprake is van een onbevoegd genomen besluit. Appellant ontkent dat hij inkomsten heeft genoten uit zijn schoonmaakbedrijf. Het Dagelijks Bestuur heeft het standpunt dat hij werkzaam was als zelfstandige niet met bewijsmiddelen onderbouwd, en de bewijslast ten onrechte bij appellant gelegd. Hij kan echter geen gegevens overleggen over werkzaamheden die hij niet heeft verricht en inkomsten die hij niet heeft genoten. De andere gegevens die zijn opgevraagd houden niet rechtstreeks verband met de stelling dat appellant inkomsten heeft genoten als zelfstandige, zodat het Dagelijks Bestuur daar niet om mocht vragen. Wel is appellant van mening dat hij desondanks voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht had op bijstand, nu de waarde van de verschillende auto's op nihil was te stellen en de waarde van zijn aandelenpakket in juli 2006 ook nihil was. Ten onrechte is de rechtbank uitgegaan van de waarde van de aandelen op 14 april 2004 van € 4.295,09. De in de bezwaarfase gemaakte kosten zijn ten onrechte niet vergoed.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Over de bevoegdheid van de directeur van de RSD overweegt de Raad als volgt.

In het kader van een gemeenschappelijke regeling heeft het College zijn taken en bevoegdheden ingevolge onder meer de WWB per 1 januari 2006 gemandateerd aan de directeur van de RSD. Binnen dit samenwerkingsverband is bij besluit van

12 juni 2007, in de gemeente Zeist gepubliceerd op 27 juni 2007, besloten om met terugwerkende kracht tot 1 mei 2007, onder intrekking van het verleende mandaat, de taken en bevoegdheden in het kader van de WWB te delegeren aan het Dagelijks Bestuur van de RSD. Bij besluit van 25 juni 2007, gepubliceerd in de gemeente Zeist op 12 november 2007, heeft het Dagelijks Bestuur zijn taken en bevoegdheden gemandateerd aan de directeur van de RSD. In zijn uitspraak van 13 november 2007 (LJN BB7724) heeft de Raad geoordeeld dat bevoegdheden niet met terugwerkende kracht aan een ander bestuursorgaan kunnen worden toegekend.

4.1.2. Uit het onder 4.1.1 overwogene volgt dat het besluit op bezwaar van 5 juni 2007 op grond van de toentertijd nog geldende mandaatregeling bevoegd is genomen door de directeur van de RSD namens het College. Hierna wordt onder Dagelijks Bestuur tevens verstaan het College.

4.2. Het Dagelijks Bestuur is blijkens het besluit van 5 juni 2007, anders dan appellant veronderstelt, niet langer van oordeel dat appellant als zelfstandige moet worden aangemerkt, aangezien het enkele feit dat hij bij de Kamer van Koophandel als zelfstandige stond geregistreerd en als zelfstandige heeft geadverteerd hiervoor onvoldoende grond biedt. Aan de intrekking is ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand over de periode van 11 augustus 2006 tot en met 5 januari 2007 als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld.

4.3. Uit het samenstel van de artikelen 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), tweede lid en vierde lid en 53a, tweede lid, eerste volzin van de WWB moet worden afgeleid dat de wetgever bij de vaststelling van (de voortzetting van) het recht op bijstand de inlichtingen- en medewerkingsverplichting van de belanghebbende zelf voorop heeft gesteld, maar er tevens in heeft voorzien dat in bepaalde - van het concrete geval afhankelijke - omstandigheden van het College het verrichten van nader onderzoek kan worden gevergd.

4.4. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant, door niet aan het Dagelijks Bestuur te melden dat hij als zelfstandige stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, als zelfstandige adverteerde op het Internet en kamers te huur aanbood, heeft gehandeld in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting.

4.6. Het Dagelijks Bestuur heeft appellant daarop, invulling gevend aan zijn onderzoeksplicht, uitgenodigd voor een gesprek en daarbij concreet aangegeven welke gegevens hij met het oog op de beoordeling van zijn recht op bijstand diende te verstrekken. Ook naar het oordeel van de Raad gaat het om voor de vaststelling van het recht op bijstand noodzakelijke gegevens.

4.7. De Raad stelt vast dat appellant een groot deel van de gevraagde gegevens niet heeft aangeleverd. Zo heeft hij geen administratie van zijn activiteiten als zelfstandige overgelegd, ontbreekt onder meer de belastingaangifte over het jaar 2006 of een bewijs van uitstel daarvan, heeft appellant geen verifieerbare informatie verstrekt over de geldstortingen op 22 en 29 augustus 2006, is de financiering van de aankoop van diverse auto's niet traceerbaar en ontbreekt het bewijs van de stelling van appellant dat de waarde van zijn aandelenpakket op 1 juli 2006 nihil was. Naar aanleiding van de stelling van appellant dat hij geen gegevens kan verstrekken over inkomsten die hij niet heeft genoten, stelt de Raad vast dat er evenmin gegevens voorhanden zijn die dit aannemelijk maken, zoals bijvoorbeeld een verklaring van de Belastingdienst over de BTW-plicht van appellant. Het Dagelijks Bestuur heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant er niet in is geslaagd te bewijzen dat in de periode van 11 augustus 2006 tot en met 5 januari 2007 recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.8. Gelet op het voorgaande was het Dagelijks Bestuur bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef onder a, van de WWB de bijstand in te trekken over de periode van 11 augustus 2006 tot en met 5 februari 2007 en met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de over de periode van 11 augustus 2006 tot en met 14 december 2006 betaalde kosten van bijstand terug te vorderen. De wijze waarop het Dagelijks Bestuur van de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering gebruik heeft gemaakt is in hoger beroep niet langer bestreden, zodat het oordeel van de rechtbank hierover geen bespreking behoeft.

4.9. Hetgeen appellant overigens nog heeft aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden.

4.10. Wat betreft de weigering van het Dagelijks Bestuur om de in de bezwaarfase gemaakte kosten te vergoeden onderschrijft de Raad de overweging van de rechtbank hierover. Hij voegt hieraan toe dat ook het besluit van 13 februari 2007 is gebaseerd op artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB en niet, zoals appellant stelt, op artikel 54, vierde lid, van de WWB.

4.11. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.N.A. Bootsma en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

AV