Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2698

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
10-3233 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige herziening. Onvoldoende spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3233 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

de Beheerder van het Korps landelijke politiediensten (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 april 2010, 09/3155 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

verzoeker

Datum uitspraak: 26 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij ongedateerd besluit, verzonden aan betrokkene op 13 oktober 2008, heeft verzoeker de detachering van betrokkene bij de Dienst Nationale Recherche van het Korps landelijke politiediensten (Klpd) voortijdig beëindigd en hem met toepassing van artikel 90, tiende lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie ontslag verleend, waardoor betrokkene zal terugkeren bij het Korps Kennemerland. Bij besluit van 22 mei 2009 is het bezwaar daartegen ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 22 mei 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Daartoe heeft zij overwogen dat de informatie waarop verzoeker het ontslag van betrokkene heeft gebaseerd niet op de persoon van betrokkene is toegespitst en dat niet gebleken is dat de misstanden betrokkene zijn aan te rekenen, zodat verzoekers besluit voldoende feitelijke grondslag ontbeert.

3. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en tevens de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de aangevallen uitspraak wordt geschorst totdat door de Raad op het hoger beroep zal zijn beslist. Als spoedeisend belang heeft verzoeker aangevoerd dat de rechtbank het primaire besluit heeft herroepen en dat het vertrouwen en de rust binnen de desbetreffende zo belangrijke eenheid van het korps, die inmiddels zijn hersteld, op onverantwoorde wijze zullen worden verstoord indien betrokkene zal moeten terugkeren.

4. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet, hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende spoedeisend belang. De voorzieningenrechter stelt vast dat een terugkeer naar de Klpd niet op voorhand onvermijdelijk is. Dit leidt hij af uit de brief van betrokkene van 4 mei 2010, waarin verzoeker wordt voorgesteld om in overleg te treden over een passende oplossing en waarbij wordt erkend dat praktisch gezien terugkeer naar de Klpd mogelijk niet de meest passende oplossing is.

5. Dit betekent dat niet is voldaan aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is en moet worden afgewezen.

6. De voorzieningenrechter acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.W.J. Hospel.

JvS