Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2680

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
10-3215 WWB-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker heeft in het verzoekschrift het spoedeisende karakter van het verzoek om voorlopige voorziening niet nader gemotiveerd. De voorzieningenrechter is niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3215 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 26 april 2010, 10/1073 en 10/1074 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

verzoeker

Datum uitspraak: 19 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Betrokkene ontvangt vanaf 20 april 2000 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij besluit van 12 februari 2010 heeft verzoeker het besluit van 3 november 2009, waarbij de bijstand van betrokkene met ingang 3 november 2009 is beëindigd, gehandhaafd. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voert met [naam partner].

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 12 februari 2010 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 3 november 2009 herroepen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - samengevat - overwogen dat de gedingstukken onvoldoende grondslag bieden voor het standpunt van verzoeker dat betrokkene en [partner ] een gezamenlijke huishouding voeren, nu niet wordt voldaan aan het criterium van wederzijdse verzorging.

3. Verzoeker heeft verzocht om schorsing van de aangevallen uitspraak tot op het hoger beroep is beslist. Verzoeker is van oordeel dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het oordeel dat betrokkene en [partner ] een gezamenlijke huishouding voeren.

4. Naar aanleiding van dit verzoek overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. Volgens - inmiddels - vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 2 december 2003, LJN AO0764, is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen, niet bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

4.3. Verzoeker heeft in het verzoekschrift het spoedeisende karakter van het verzoek om voorlopige voorziening niet nader gemotiveerd. De enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar het oordeel van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven, vormt op zichzelf niet een voldoende grondslag voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De wetgever heeft immers aan het instellen van hoger beroep in zaken als de onderhavige uitdrukkelijk geen schorsende werking willen toekennen.

4.4. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.

5. Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van R.J. van der Veen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.J. van der Veen.

JvS