Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2642

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
09-1831 ZW en 09-1832 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de ZW. Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA. 09/1831 ZW: Voldoende medische grondslag. De Raad is van oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat uitval binnen een half jaar te verwachten viel. 09/1832 WIA: De Raad is van oordeel dat voldoende en ondubbelzinnige indicaties bestaan voor een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellante door haar beperkingen vanaf aanvang verzekering ongeschikt is geweest voor de laatst verrichte arbeid en dat daardoor geen sprake is geweest van aanwezige verdiencapaciteit bij aanvang van de verzekering. Uitval binnen een half jaar na het begin van haar werkzaamheden viel te verwachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1831 ZW en 09/1832 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 februari 2009, 08/2503 en 08/2880 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.A. Harff, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Nadien heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2010. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, die vanaf 1 juli 2005 werkzaam was als medewerkster bij een matrassenfabriek, heeft zich per 15 september 2005 ziek gemeld vanwege hand- en gewrichtsklachten. Met ingang van 30 juni 2006 is haar dienstverband geëindigd.

1.2. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft de verzekeringsarts A. in ’t Veld op de medische kaart vermeld dat appellante sinds 2001 bekend was met reumatoïde arthritis en vastgesteld dat er op de datum van ziekmelding geen sprake was van acute reuma. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van 25 september 2006 aan appellante meegedeeld dat met ingang van 3 juli 2006 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) wordt geweigerd, omdat zij al ziek was op het moment waarop haar verzekering voor de ZW begon of de kans groot was dat zij binnen een half jaar daarna ziek zou worden.

1.3. Bij besluit van 28 juni 2007 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 september 2006, onder verwijzing naar rapportages van de arbeidsdeskundige J.R.C. van Unen van 10 mei 2007 en van de bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans van 16 februari 2007 en 7 juni 2007, ongegrond verklaard.

1.4. Naar aanleiding van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellante op 13 juni 2007 onderzocht door de verzekeringsarts A.P. de Vries, die heeft geconstateerd dat appellante als gevolg van hand- en gewrichtsklachten beperkingen heeft bij het verrichten van arbeid. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 juni 2007. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige D.Y. van Herk-van Wezel in haar rapportage vastgesteld dat de FML reeds van kracht was bij aanvang verzekering en dat appellante door haar beperkingen vanaf aanvang verzekering ongeschikt is geweest voor de laatst verrichte arbeid en dat daardoor geen sprake is geweest van aanwezige verdiencapaciteit. Het Uwv heeft bij besluit van 26 juli 2007 aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 13 september 2007 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat zij binnen een half jaar nadat zij bij naar werkgever is gaan werken ziek is geworden en dat zij, toen zij begon met werken, al had kunnen weten dat zij binnen een half jaar arbeidsongeschikt zou worden.

1.5. Bij besluit van 5 juni 2008 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 juli 2007, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest van 2 juni 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Met betrekking tot het bestreden besluit 1 heeft de rechtbank overwogen dat appellante al jaren op de hoogte was van haar ziekte en klachten en dat gesteld kan worden dat appellante bij haar belastend werk kon verwachten dat haar klachten zouden toenemen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien om aan de overwegingen en de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen, zodat het besluit van het Uwv met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de ZW ingaande 3 juli 2006 appellante een uitkering te weigeren, deze toetsing kan doorstaan. Ten aanzien van het bestreden besluit 2 heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de beperkingen zoals aangegeven in de FML van 21 juni 2006 dezelfde zijn als bij aanvang verzekering en dat was te verwachten dat appellante binnen een half jaar na indiensttreding arbeidsongeschikt zou worden. Ook hier heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om aan de overwegingen en de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen, zodat het Uwv op grond van artikel 46, tweede lid, aanhef en onder b, in verbinding met artikel 43, aanhef en onderdeel c, van de Wet WIA terecht heeft besloten aan appellante per 13 september 2007 geen uitkering ingevolge deze wet toe te kennen.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat uit de dossierstukken naar voren komt dat haar gewrichtsklachten zich al (voor het eerst) in 2001 hebben voorgedaan, doch dat deze klachten (met de juiste medicijnen) onder controle waren en dat het voor haar zeker niet voorzienbaar was dat zij per 15 september 2005 wegens deze klachten volledig arbeidsongeschikt zou worden. Zij wijst erop dat op laatstgenoemde datum is geconstateerd dat zij lijdende was aan acute reuma en dat uitval gelet op het ziekteverloop vanaf 2001 niet was te voorzien.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

09/1831 ZW

4.1. Op grond van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de ZW heeft het Uwv de bevoegdheid uitkering van ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, te weigeren, indien de ongeschiktheid tot werken binnen een half jaar na het tijdstip waarop de verzekering een aanvang nam is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de aanvang van de verzekering het intreden van deze ongeschiktheid binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten. In de jurisprudentie van de Raad, bijvoorbeeld zijn uitspraak van 24 januari 2007, LJN AZ6968, komt tot uitdrukking dat bij de toepassing van dit artikelonderdeel sprake moet zijn van een stellige verwachting in de zin dat uit de bij aanvang van de verzekering bestaande gezondheidstoestand van de betrokkene met een grote mate van zekerheid is af te leiden dat deze toestand binnen een half jaar tot arbeidsongeschiktheid zal leiden.

4.2. De Raad is van oordeel dat het Uwv in dit geval zich terecht bevoegd heeft geacht gebruik te maken van zijn in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de ZW neergelegde bevoegdheid. Het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen heeft, op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en met verkregen informatie van de behandelend sector op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. In de medische rapportages is vermeld dat appellante sinds 2001 bekend is met reumatoïde arthritis, die sinds 2004 een actief proces vormt volgens de reumatoloog. Uit de aantekeningen van de verzekeringsarts In ’t Veld op de medische kaart blijkt voorts dat appellante voor aanvang van haar werkzaamheden al spalken voor haar polsen had, die ze niet op het werk heeft gedragen, en dat ze gebruik maakte van steunzolen. De werkzaamheden die appellante in 2005 ging verrichten waren volgens de werkbeschrijving door de arbeidsdeskundige hand- en voet-/beenbelastend: veel staan en lopen, constant handinspanning, wisselend in kracht. In zijn rapportage heeft de bezwaararbeidsdeskundige vermeld dat de bedrijfsleider heeft aangegeven dat appellante, haast tegen beter weten in probeerde vol te houden en dat het merkbaar was dat zij zich moest verbijten. Volgens de bezwaarverzekeringsarts was te verwachten dat de belasting in dit werk tot kapselirritatie en tot toename van de klachten zou leiden, zodat uitval binnen een half jaar te verwachten viel. In de voorhanden medische gegevens kan geen steun worden gevonden voor het standpunt van appellante dat er sprake was van acute reuma, of dat de klachten door gebruik van medicatie onder controle waren. Blijkens de gegevens is met de medicatie eerst op 21 maart 2006 gestart, terwijl uitval reeds op 15 september 2005 plaatsvond. De Raad is dan ook van oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat uitval binnen een half jaar te verwachten viel. Nu door appellante in hoger beroep geen medische gegevens zijn overgelegd, die haar standpunt onderbouwen, ziet de Raad geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen. Niet is gebleken dat het Uwv niet in redelijkheid van haar bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

09/1832 WIA

4.3. Op grond van artikel 43, aanhef en onder c, van de Wet WIA geldt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen de volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 46, tweede lid, als een uitsluitingsgrond voor het recht op een uitkering ingevolge die wet. Volgens artikel 46, eerste lid, van de Wet WIA wordt onder volledige arbeidsongeschiktheid verstaan het als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat zijn om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Volgens artikel 46, tweede lid, van de Wet WIA -voor zover hier van belang- is artikel 43, onderdeel c, van toepassing indien sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid:

a. ….

b. die binnen een half jaar na het tijdstip van aanvang van de verzekering of na het tijdstip van eindiging van de periode, bedoeld in onderdeel a, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de verzekerde op dat tijdstip het intreden van die arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten.

4.4. Voor de toepassing van de uitsluitingsgrond van artikel 43, aanhef en onder c, van de Wet WIA dienen, zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 28 januari 2009, LJN BH2844, de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties te geven voor het bestaan van een reële arbeidsongeschiktheid, in dit geval op 1 juli 2005.

4.5. Onder verwijzing naar de onder 4.2 vermelde medische gegevens en de daaraan verbonden conclusies is de Raad van oordeel dat in de omstandigheden van het voorliggende geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties bestaan voor een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering. Daaraan voegt de Raad toe dat ook de verzekeringsarts De Vries in zijn rapportage van 13 juni 2007 heeft geconcludeerd dat, gezien de zwaarte en intensiteit van het werk en gelet op de verslechtering die reeds in 2004 inging en de problemen die zij daardoor in haar thuissituatie al met de handen ondervond, op voorhand viel te verwachten dat appellante het werk slechts heel kortdurend zou kunnen volhouden. Op basis daarvan heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat appellante door haar beperkingen vanaf aanvang verzekering ongeschikt is geweest voor de laatst verrichte arbeid en dat daardoor geen sprake is geweest van aanwezige verdiencapaciteit. De bezwaarverzekeringsarts Van Geest heeft bevestigd dat de beperkingen, zoals opgenomen in de FML van 21 juni 2007, dezelfde zijn als bij aanvang verzekering. Nu appellante in hoger beroep geen andersluidende medische gegevens heeft overgelegd, is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht tot de conclusie is gekomen dat appellante geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat gelet op haar gezondheidstoestand bij aanvang van de verzekering uitval binnen een half jaar na het begin van haar werkzaamheden viel te verwachten.

4.6. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) A.L. de Gier.

RK