Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2585

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
08-7102 NIOAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling ingangsdatum IOAW-uitkering. De Raad is van oordeel dat in de door appellant aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden zijn gelegen die een toekenning van IOAW-uitkering met ingang van een eerdere datum dan 19 april 2007 rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7102 NIOAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 november 2008, 07/2036 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van de intergemeentelijke sociale dienst Brunssum Onderbanken Landgraaf (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 20 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeenschappelijke regeling zijn - voor zover hier van belang - de bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum (hierna: College) overgedragen aan het Dagelijks Bestuur van de intergemeentelijke sociale dienst Brunssum, Onderbanken en Landgraaf (ISDBol).

Namens appellant is door mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2010. Voor appellant is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M.J. Michiels, werkzaam bij de intergemeentelijke sociale dienst Brunssum, Onderbanken en Landgraaf.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving tot 1 maart 2007 van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW). Op 19 april 2007 heeft appellant bij het Dagelijks Bestuur een uitkering ingevolge de IOAW aangevraagd.

1.2. Bij besluit van 24 mei 2007 heeft het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen het recht op uitkering van appellant ingevolge de IOAW met ingang van 8 juni 2006 ingetrokken op de grond dat appellant met ingang van die datum niet meer woonachtig is in de gemeente Heerlen. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 30 mei 2007 heeft het Dagelijks Bestuur appellant met ingang van 19 april 2007 een IOAW-uitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 10 oktober 2007 heeft het Dagelijks Bestuur het bezwaar tegen het besluit van 30 mei 2007, welk bezwaar was gericht tegen de ingangsdatum, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 10 oktober 2007 wegens een - in beroep hersteld - bevoegdheidsgebrek gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 16a, eerste lid, van de IOAW, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, is bepaald dat indien door burgemeester en wethouders is vastgesteld dat recht op uitkering bestaat, de uitkering wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om uitkering aan te vragen. Dit betekent, zoals de Raad in onder meer zijn uitspraak van 29 januari 2008 LJN BC3929 heeft overwogen, dat in beginsel geen uitkering wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.2. Appellant heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Weliswaar heeft appellant in de periode van 9 juni 2006 tot en met 28 februari 2007 in de gemeente Heerlen een IOAW-uitkering genoten, maar deze uitkering is ingetrokken en teruggevorderd. Nu hij ook over de periode van 1 maart 2007 tot 19 april 2007 geen uitkering heeft ontvangen, heeft hij over een lange periode geen inkomsten gehad, wat hij, gezien zijn leeftijd en opleiding, niet kan opvangen. Appellant, ongeletterd, nagenoeg analfabeet en niet op de hoogte van de Nederlandse regelgeving, ging er vanuit dat het voldoende was dat hij zijn verhuizing naar de gemeente Brunssum in de GBA liet verwerken, ook omdat het slechts om een tijdelijke verhuizing zou gaan. De gemeente Heerlen heeft niet adequaat gereageerd op zijn uitschrijving uit de GBA per 8 juni 2006. Ook de gemeente Brunssum heeft niet adequaat gereageerd op zijn inschrijving in de GBA, nu appellant er niet op is gewezen dat als hij een uitkering in een andere gemeente genoot, deze opnieuw in de gemeente Brunssum moest worden aangevraagd.

4.3. De Raad stelt voorop dat het de verantwoordelijkheid van appellant was om tijdig een uitkering ingevolge de IOAW aan te vragen in de gemeente Brunssum. Vaststaat dat appellant zich op 8 juni 2006 heeft laten uitschrijven uit de GBA van de gemeente Heerlen en heeft laten inschrijven in de GBA van de gemeente Brunssum, maar pas op 19 april 2007 een IOAW-uitkering in laatstgenoemde gemeente heeft aangevraagd. Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat appellant buiten staat was zelf eerder een aanvraag in te dienen of als gevolg van onjuiste informatie daarvan is afgehouden, dan wel (eerder) de hulp van een derde heeft kunnen inschakelen om namens hem daartoe de nodige stappen te ondernemen. De gestelde ongeletterdheid en onvoldoende kennis van de Nederlandse regelgeving van appellant maken dat niet anders. Overigens staat vast dat appellant er in maart 2007 al van op de hoogte was dat hij in de gemeente Brunssum opnieuw een IOAW-uitkering diende aan te vragen. Dat hij daarmee vervolgens nog tot 19 april 2007 heeft gewacht, komt geheel voor zijn rekening en risico.

4.4. De omstandigheid dat de door appellant over de periode van 8 juni 2006 tot en met 28 februari 2007 in de gemeente Heerlen ontvangen IOAW-uitkering naderhand van hem is teruggevorderd, kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die tot toekenning van bijstand over die periode moet leiden. De naderhand ontstane verplichting tot terugbetaling van die uitkering laat immers onverlet dat appellant in het betrokken tijdvak over voldoende middelen heeft beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Dat de gemeente Heerlen niet adequaat zou hebben gereageerd op de uitschrijving uit de GBA ziet, nog geheel daargelaten wat daarvan zij, op de - niet door appellant aangevochten - intrekking en terugvordering van IOAW-uitkering door het College van die gemeente. De Raad ziet dan ook niet in dat hierin voor het Dagelijks Bestuur een bijzondere omstandigheid besloten ligt om met terugwerkende kracht tot 8 juni 2006 een IOAW-uitkering toe te kennen. Wat het gestelde inadequate handelen van de gemeente Brunssum betreft, is de Raad van oordeel dat de informatieverplichting van deze gemeente niet zo ver strekt dat degenen die zich daar laten inschrijven erop moeten worden gewezen dat een eventuele uitkering die zij ontvingen in een andere gemeente opnieuw moet worden aangevraagd.

4.5. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.3 en 4.4 is de Raad van oordeel dat in de door appellant aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden zijn gelegen die een toekenning van IOAW-uitkering met ingang van een eerdere datum dan 19 april 2007 rechtvaardigen.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) C. de Blaeij.

HD