Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2583

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
09/4217 WWB + 09/4218 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. De Raad heeft in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden dat de adviezen van de GGD onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en/of naar hun inhoud niet deugdelijk zouden zijn. Met de rechtbank en het College is de Raad derhalve van oordeel dat de kosten niet kunnen worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van in artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4217 WWB

09/4218 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 juni 2009, 08/3472 en 08/4372 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C. Brouwer-Morren, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 8 juni 2010, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 17 augustus 2006 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand ter voorziening in de kosten van extra verwarming in haar gehele woning (warmtetoeslag) en ter voorziening in het extra wassen en slijten van kleding en beddengoed, in verband met het gebruik van crèmes en zalven. Die kosten hebben betrekking op het jaar 2006 en houden verband met de medische klachten van appellante ten gevolge van een reumatoïde artritis.

1.2. Bij besluit van 18 oktober 2006 heeft het College de aanvraag afgewezen.

1.3. Bij besluit van 17 januari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2006 ongegrond verklaard.

1.4. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 6 mei 2008, 07/735, het beroep tegen het besluit van 17 januari 2007 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd op de grond dat dat besluit en het daaraan ten grondslag liggende advies van de GGD van 12 oktober 2006 onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van die uitspraak.

1.5. Ter uitvoering van die uitspraak heeft het College op 17 september 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar met betrekking tot de warmtetoeslag in zoverre gegrond is verklaard dat een bedrag van € 268,-- per jaar is toegekend voor extra warmte in de woonkamer. Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard.

1.6. Appellante heeft op 13 december 2007 wederom een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand ter voorziening in de kosten van extra verwarming in haar gehele woning (warmtetoeslag) en ter voorziening in het extra wassen en slijten van kleding en beddengoed, in verband met het gebruik van crèmes en zalven. Deze kosten hebben betrekking op de jaren 2007 en 2008.

1.7. Bij besluit van 24 januari 2008 heeft het College die aanvraag afgewezen.

1.8. In bezwaar heeft appellante ook nog verzocht om een voorziening in de kosten van vervanging van kleding in verband met gewichtsschommelingen en de kosten voor aanschaf van extra schoenen wegens ontstekingen aan de voeten. Bij besluit van 21 juli 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 24 januari 2008 niet-ontvankelijk verklaard, voor zover betrekking hebbende op de (over 2007 en 2008 reeds toegekende) warmtetoeslag inzake de woonkamer en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 21 juli 2008 gegrond verklaard, voor zover betrekking hebbende op de kosten van aanschaf van extra schoenen, dit besluit in zoverre vernietigd en het beroep tegen het besluit van 21 juli 2008 voor het overige ongegrond verklaard. Het beroep tegen het besluit van 17 september 2008 heeft de rechtbank ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover de beroepen ongegrond zijn verklaard.

3.1. Ter uitvoering van die uitspraak heeft het College op 25 september 2009 een nieuw besluit genomen, waarbij appellante een eenmalig bedrag (€ 260,--) is toegekend voor de kosten van aanschaf van extra schoenen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt eerst vast dat appellante zich heeft kunnen verenigen met het besluit van 25 september 2009 en dat thans nog ter beoordeling van de Raad voorligt de warmtetoeslag met betrekking tot de slaap- en badkamer (over de jaren 2006 tot en met 2008), de extra was- en slijtagekosten van kleding en beddengoed in verband met het gebruik van crèmes en zalven (over de jaren 2007 tot en met 2008) en de kosten van aanschaf van extra kleding in verband met gewichtsschommelingen (over de jaren 2006 en 2008). De Raad overweegt daaromtrent het volgende.

4.2. Het College heeft zijn besluiten met betrekking tot de warmtetoeslag voor de slaap- en badkamer gebaseerd op een advies van de GGD van 7 mei 2008. Daarin is aangegeven dat er een medische indicatie is voor extra verwarming in de woonkamer en dat een gelijkmatige verwarming van de woning als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd. In de slaapkamer is het gebruik van voldoende beddengoed als adequaat te beschouwen en in de badkamer verwarming op de gebruikelijke temperatuur (22-24 graden), aldus het advies van de GGD van 7 mei 2008.

4.3. Het College heeft zijn besluiten met betrekking tot extra was- en slijtagekosten van kleding en beddengoed in verband met het gebruik van crèmes en zalven, gebaseerd op het advies van de GGD van 7 mei 2008, zoals dit nader is aangevuld met het advies van 28 oktober 2008. In die adviezen is nader gemotiveerd waarom door appellante niet is voldaan aan de criteria die de GGD hanteert voor het vergoeden van slijtagekosten als gevolg van het gebruik van crèmes en zalven. Met name heeft appellante volgens de GGD niet aangegeven van welke crèmes zij nu precies gebruik maakt, zodat niet kan worden vastgesteld of het een crème is waarvan het gebruik leidt tot slijtagekosten waarvoor vergoeding mogelijk is. Evenmin is de GGD gebleken dat appellante is aangewezen op het gebruik van crèmes over (vrijwel) het gehele lichaam.

4.4. De Raad heeft in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden dat de onder 4.2 tot en met 4.3 genoemde adviezen van de GGD onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en/of naar hun inhoud niet deugdelijk zouden zijn. De omstandigheid dat appellante zelf op 7 mei 2008 niet door een arts van de GGD is gezien doet hier niet aan af, nu appellante wel op 6 oktober 2006 het spreekuur van de GGD heeft bezocht en niet gesteld noch gebleken is dat haar situatie nadien verslechterd is. Appellante heeft geen medische gegevens in geding gebracht die afdoen aan de adviezen van 7 mei 2008 en 28 oktober 2008. Er kan dan ook niet worden gezegd dat het College bij zijn besluitvorming niet in redelijkheid van die adviezen heeft mogen uitgaan.

4.5. Van de zijde van appellante zijn voorts geen concrete objectieve medische gegevens overgelegd, op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat er sprake is van zodanige gewichtsschommelingen dat het vervangen van haar garderobe noodzakelijk is geworden. Bovendien blijkt uit het aanvullende advies van de GGD van 28 oktober 2008, dat appellante omtrent het door haar gestelde gewichtsverlies geen contact heeft opgenomen met een arts. Op grond hiervan kan niet worden vastgesteld dat er sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

4.6. Met de rechtbank en het College is de Raad derhalve van oordeel dat de onder 4.2 tot en met 4.5 genoemde kosten niet kunnen worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van in artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand.

4.7. Het vorenstaande leidt er toe dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) C. de Blaeij.

HD