Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2566

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
08-1509 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1509 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 januari 2008, 07/1037 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J. Visser, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.B.M. Adriaanse, advocaat te Breda. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. Versneij, werkzaam bij de gemeente Almere.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 2 augustus 2004 bijstand ingevolgde de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante niet in [plaatsnaam] zou verblijven maar in Amsterdam heeft het College onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte uitkering. In dat verband is onder meer aan appelante bij brief van 2 april 2007 gevraagd om uiterlijk voor 16 april 2007 bankafschriften in te leveren van alle bankrekeningnummers waarover zij beschikt over de periode van 1 april 2006 tot 1 april 2007.

1.3. Aangezien appellante niet volledig aan dit verzoek heeft voldaan heeft het College bij besluit van 18 april 2007 met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand van appellante met ingang van 16 april 2007 opgeschort en haar alsnog in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens uiterlijk voor 1 mei 2007 in te leveren. Voorts is aangegeven dat, indien appellante haar verzuim niet herstelt, de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingang van de datum van opschorting zal worden ingetrokken.

1.4. Nadat het College had geconstateerd dat appellante op 1 mei 2007 niet aan haar informatieverplichting had voldaan, is bij besluit van 8 mei 2007 de bijstand van appellante met ingang van 16 april 2007 ingetrokken.

1.5. Appellante heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.

1.6. Bij besluit van 25 juni 2007 heeft het College deze bezwaren ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 25 juni 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot de opschorting van het recht op bijstand

4.2. Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

4.3. Vast staat dat appellante de bij brief van 2 april 2007 gevraagde bankafschriften niet tijdig bij het College heeft ingeleverd. Verder is niet betwist dat de gevraagde gegevens van belang zijn voor verlening van de bijstand, teneinde te kunnen vaststellen of appellante in [plaatsnaam] verbleef. Niet gebleken is dat appellante niet tijdig over de gevraagde stukken heeft kunnen beschikken. Het valt appellante dan ook te verwijten dat niet alle gevraagde gegevens zijn verstrekt.

4.4. Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB is voldaan. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand met ingang van 16 april 2007 gebruik heeft kunnen maken.

4.5. Met betrekking tot de intrekking van het recht op bijstand

4.6. Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen de door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.7. Bij zijn besluit van 18 april 2007 heeft het College appellante in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen door de gevraagde gegevens alsnog uiterlijk voor 1 mei 2007 in te leveren. Vast staat dat appellante niet binnen de gestelde termijn deze gegevens heeft overgelegd. De enkele, tijdens de hoorzitting in bezwaar, naar voren gebrachte stelling dat zij de bankafschriften niet kon vinden en moest opvragen bij de Postbank, is onvoldoende om aan te nemen dat haar daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. Aan de eerst ter zitting van de Raad door appellante naar voren gebrachte niet onderbouwde stelling dat zij voor het einde van de hersteltermijn aan de balie van het stadhuis is geweest om uitstel te vragen voor het inleveren van de stukken, gaat de Raad wegens strijd met de goede procesorde voorbij.

4.8. Hiermee is gegeven dat ook aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan. Het College was derhalve bevoegd het besluit tot toekenning van het recht op bijstand met ingang van 16 april 2007 in te trekken. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

4.9. Naar aanleiding van de grief van appellante dat het College nader onderzoek had kunnen en moeten doen naar de verblijfplaats van appellante overweegt de Raad dat in geval van een op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB genomen besluit uitsluitend ter beoordeling staat of de betrokkene (verwijtbaar) heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingbesluit gevraagde informatie te verstrekken en of het College op juiste wijze gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het besluit tot toekenning van bijstand in te trekken. Daarin past niet een inhoudelijk onderzoek naar de woon- en leefomstandigheden van appellante.

4.10. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en C.H. Bangma als leden in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) C. de Blaeij.

HD