Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2536

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
09-528 ZFW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging correctienota’s over de premiejaren 2003 tot en met 2005. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de aan de werknemer verstrekte uitkering, door appellante aangeduid als 13e maand, niet behoort te worden meegenomen bij de vaststelling van het loongrensloon ingevolge de Zfw. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat de werknemer in de jaren in geding verplicht verzekerd was ingevolge de Zfw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/528 ZFW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] gevestigd te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 11 december 2008, 08/4490 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 15 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft P.G.F. Bevelander CB, werkzaam bij PB Administraties & Belastingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2010. Namens appellante is Bevelander CB verschenen. Het Uwv heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Ziekenfondswet (Zfw) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.

1.1. Als uitvloeisel van een bij appellante uitgevoerde looncontrole, waarvan op 2 november 2007 rapport is uitgebracht, zijn aan appellante correctienota’s over de premiejaren 2003 tot en met 2005 opgelegd. De correcties vinden hun oorzaak in de omstandigheid dat het Uwv tot de conclusie is gekomen dat, werknemer van appellante, ten onrechte niet als verplicht verzekerd ingevolge de Zfw is aangemerkt. Het bezwaar tegen de correctienota’s is bij het besluit van 23 april 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 april 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft - voor zover in dit geding van belang - aangevoerd dat het Uwv bij het bepalen van het loongrensloon voor de Zfw ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de 13e maand die de werknemer heeft ontvangen. Het loon van de werknemer, inclusief de 13e maand, overstijgt de in de Zfw vastgelegde loongrens, zodat het Uwv de werknemer ten onrechte als verplicht verzekerd ingevolge de Zfw heeft aangemerkt.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Het systeem van de verzekeringsplicht ingevolge de Zfw houdt in dat een werknemer in de zin van de Ziektewet voor de Zfw is verzekerd, tenzij het loon hoger is dan de in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Zfw genoemde loongrens. Bij de beantwoording van de vraag of hiervan sprake is, is het vierde lid van dit artikel van beslissende betekenis. In dit vierde lid wordt het loongrensloon, voor zover hier van belang, omschreven als "overeengekomen vaste, naar tijdsruimte en in geld vastgestelde uitkering". Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan loon slechts als loongrensloon in de zin van artikel 3, vierde lid, van de Zfw worden aangemerkt, indien het een vast karakter heeft en kan worden herleid tot een jaarloon. Voorts betekent overeengekomen vast loon in dit verband dat het loon niet alleen feitelijk moet zijn uitbetaald, maar ook als vast loonbestanddeel deel moet hebben uitgemaakt van de overeenkomst die tussen appellante en de werknemer is gesloten.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de aan de werknemer verstrekte uitkering, door appellante aangeduid als 13e maand, niet behoort te worden meegenomen bij de vaststelling van het loongrensloon ingevolge de Zfw. In de tot de gedingstukken behorende arbeidsovereenkomst van de rechtsvoorganger van appellante en de werknemer is een recht op een 13e maandloon niet opgenomen, terwijl appellante evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat de verstrekte uitkering berust op een mondelinge overeenkomst tussen appellante en de werknemer. Voorts is de hoogte van deze uitkering, zoals toegelicht ter zitting van de Raad, variabel en afhankelijk van de door de werknemer geleverde prestatie. Deze uitkering wordt bovendien alleen verstrekt aan de werknemers die op 1 december van het betreffende jaar bij appellante in dienst zijn. Derhalve is geen sprake van een overeengekomen vast loon. Deze uitkering is ook niet naar tijdsruimte bepaald omdat de betaling gebonden is aan een voorwaarde, waarvan de vervulling onzeker is, aangezien tevoren niet vaststaat dat de werknemer op 1 december van het betreffende jaar nog in dienst van appellante zal zijn.

4.3. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv zich bij het besluit van 23 april 2008 derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de werknemer in de jaren in geding verplicht verzekerd was ingevolge de Zfw.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en J.F. Bandringa en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

AV