Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2518

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
09-2670 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling dagloon en vervolgdagloon. Grondslaguurloon is gelijk aan het garantie-uurloon. Aangezien het dagloon is gebaseerd op het garantieloon, verhoogd met de prestatietoeslag, is naar het oordeel van de Raad wel inzichtelijk gemaakt dat rekening is gehouden met het PRIS-loon, zoals bedoeld in de CAO. In het berekende dagloon is de vakantietoeslag begrepen, bestaande uit 8% over het garantieloon, vermeerderd met de prestatietoeslag. De omstandigheid dat in de CAO is geregeld dat de hoogte van de verlofwaarde gebaseerd wordt op het PRIS-uurloon, kan er niet toe leiden dat het dagloon op een hoger bedrag moet worden vastgesteld. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2670 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 april 2009, 07/5296 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 15 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Misker, werkzaam bij ARAG - Nederland, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2010. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich, daartoe ambtshalve opgeroepen, laten vertegenwoordigen door mr. M.W.G. Bombeeck, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is tot zijn ziekmelding per 27 oktober 2003 werkzaam geweest als schilder in dienst van Glas- en Schildersbedrijf [naam bedrijf]. (hierna: de werkgever). Het Uwv heeft aan appellant met ingang van 25 oktober 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% en gebaseerd op een dagloon, dat voorlopig is vastgesteld op € 99,--. Met ingang van 25 april 2006 ontvangt appellant een vervolguitkering ingevolge de WAO. In februari 2007 heeft het Uwv aan de hand van de door de werkgever verstrekte gegevens en de CAO voor Schilders-, Afwerkings- en Glaszetbedrijf 2004-2007 (hierna: de CAO) een definitieve berekening gemaakt van het dagloon van appellant. Bij besluit van 15 februari 2007 heeft het Uwv het dagloon van appellant per 25 oktober 2004 herzien en vastgesteld op € 104,44 en het vervolgdagloon vanaf 25 april 2006 vastgesteld op € 89,17. Bij besluit van 23 november 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van

15 februari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 november 2007 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de WAO, zoals die bepaling luidde tot 1 januari 2006, wordt voor de berekening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, als dagloon beschouwd: hetgeen de uitkeringsgerechtigde, ware hij niet arbeidsongeschikt, indien hij werkzaam was in het beroep dat - of de beroepen, welke - hij gewoonlijk uitoefende, gerekend naar het loonpeil op de dag met ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, gedurende het daaropvolgende jaar bij een vijfdaagse werkweek gemiddeld per dag zou kunnen verdienen.

4.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Algemene Dagloonregelen WAO, zoals die bepaling luidde ten tijde hier van belang, wordt voor de vaststelling van het dagloon het loon berekend, dat de uitkeringsgerechtigde in het jaar, aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voorafgaande, in zijn beroep gemiddeld heeft genoten over de in de volledige salarisbetalingsperioden in dat jaar gelegen dagen, waarop hij gedurende tenminste de door hem normale werktijd in dat beroep werkzaam was, met dien verstande, dat bij deze berekening:

a. een evenredig deel van de vakantietoeslag, alsmede een evenredig deel van een uitkering, die het karakter heeft van een 13e maandloon of eindejaarsuitkering, wordt aangemerkt als loon, dat over bedoelde dagen is genoten;

b. de dagen, waarop hij als gevolg van arbeidsongeschiktheid niet tegen zijn normale loon werkzaam was, benevens het over die dagen genoten loon, buiten aanmerking blijven;

c. buiten aanmerking blijft hetgeen hij heeft genoten in de vorm van uitkeringen, als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel d, die tot het normale regelmatig verstrekte loon behoren;

d. het aantal dagen werken in een kalender- of loonweek geacht wordt niet meer dan 5 te bedragen.

4.3. Uit de gedingstukken blijkt dat de werkgever aan een buitendienstfunctionaris van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen opgave heeft gedaan van het loon dat appellant per week heeft genoten, bestaande uit een garantieloon, verhoogd met een prestatietoeslag. Aan de berekening van het dagloon heeft het Uwv dit loon, derhalve inclusief de prestatietoeslag, ten grondslag gelegd, zoals kan worden afgeleid uit het formulier “Dagloonberekening gedetailleerd” van 13 februari 2007 en door het Uwv nader is toelicht in het verweerschrift van 29 juni 2009. Appellant heeft weliswaar aangevoerd dat het berekende dagloon wel zeer afwijkt van hetgeen hij destijds verdiende, maar hij heeft geen gegevens aangedragen, bijvoorbeeld in de vorm van salarisspecificaties, waaruit blijkt dat de loonopgave van de werkgever niet juist is. De Raad heeft derhalve geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat het loon van appellant hoger was dan door de werkgever is opgegeven. Dit geldt eveneens voor de opgave van de werkgever dat appellant in de volledige salarisperioden in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid gedurende 197 dagen volledig werkzaam is geweest. Bij de berekening van het dagloon is uitgegaan van dit aantal dagen.

4.4. Appellant is van mening dat nog steeds niet inzichtelijk is dat bij de berekening van zijn dagloon rekening is gehouden met het zogeheten PRIS-loon als bedoeld in de CAO. Ingevolge artikel 2, twaalfde lid, onder a, van de CAO wordt onder PRIS-uurloon verstaan het voor de werknemer geldende grondslaguurloon plus, indien van toepassing, prestatietoeslag. In deze CAO wordt onder grondslaguurloon verstaan het garantie-uurloon vermeerderd met, indien van toepassing, de diploma- en of/voorliedentoeslag en onder garantie-uurloon c.q. garantie-weekloon wordt verstaan het loon waarop de werknemer na toepassing van artikel 17 krachtens artikel 18 van de CAO per uur of per week recht kan doen gelden. Zoals in 4.3 overwogen ligt aan de berekening van dagloon ten grondslag het door de werkgever opgegeven garantieloon, vermeerderd met de prestatietoeslag. Appellant heeft niet gesteld en de Raad is uit de gedingstukken niet gebleken dat hij recht had op een diploma- en/of een voorliedentoeslag, zodat moet worden aangenomen dat in zijn geval het grondslaguurloon gelijk is aan het garantie-uurloon. Aangezien het dagloon is gebaseerd op het garantieloon, verhoogd met de prestatietoeslag, is naar het oordeel van de Raad wel inzichtelijk gemaakt dat rekening is gehouden met het PRIS-loon, zoals bedoeld in de CAO. In het berekende dagloon is de vakantietoeslag begrepen, bestaande uit 8% over het garantieloon, vermeerderd met de prestatietoeslag. De omstandigheid dat in de CAO is geregeld dat de hoogte van de verlofwaarde gebaseerd wordt op het PRIS-uurloon, kan er niet toe leiden dat het dagloon op een hoger bedrag moet worden vastgesteld.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het Uwv een juiste berekening heeft gemaakt van het dagloon van appellant per 25 oktober 2004 en het vervolgdagloon met ingang van 25 april 2006. De rechtbank heeft derhalve het beroep tegen het besluit van 23 november 2007 terecht ongegrond verklaard, zij het dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit berust op artikel 14, eerste lid, van de WAO, zoals die bepaling luidt vanaf 1 januari 2006, en op het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen. Ingevolge artikel 98d van de WAO blijven artikel 14 en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden op de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van artikel V, onderdeel A, van de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten, van toepassing op de persoon, zoals appellant, wiens recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan voor de dag van inwerkingtreding van dat artikel en met betrekking tot die arbeidsongeschiktheidsuitkering. De Raad zal derhalve de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, bevestigen.

4.6. Nu de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt, is voor een veroordeling tot schadevergoeding geen ruimte. Het verzoek daartoe van appellant dient daarom te worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en J.F. Bandringa en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

JvS