Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2516

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
08-3307 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand. Naar het oordeel van de Raad heeft het College terecht geoordeeld dat appellant zijn verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling onvoldoende is nagekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3307 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2008, 07/2044 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.A. van Schaik, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2010. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van Boxel, werkzaam bij de gemeente Capelle aan den IJssel.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 1 januari 1997 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 27 februari 2007 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2007 voor de duur van één maand met 100% verlaagd. Bij besluit van 15 mei 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 februari 2007 - met overname van het advies van de commissie bezwaarschriften van de gemeente Capelle aan den IJssel van 17 april 2007 - ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat door het ongemotiveerde gedrag van appellant tijdens het sollicitatiegesprek op 5 februari 2007 het re-integratiebureau Vak en Werk Rijnmond (hierna: Vak en Werk Rijnmond) heeft afgezien van het aanbieden van een arbeidsovereenkomst en dat appellant aldus zijn arbeidsinschakeling heeft belemmerd. Het College heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 18, tweede lid, van de WWB en artikel 9, tweede lid, sub g en artikel 10, eerste lid, sub b van de Afstemmingsverordening WWB gemeente Capelle aan den IJssel (hierna: Afstemmingsverordening).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 mei 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB is - voor zover hier van belang - bepaald dat de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar verplicht is naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden.

4.1.2. Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB - voor zover hier van belang - verlaagt het college van burgemeester en wethouders de bijstand overeenkomstig de door de gemeenteraad vastgestelde verordening indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.1.3. Ingevolge artikel 9 van de Afstemmingsverordening - voor zover hier van belang - worden gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren tot de tweede categorie gerekend. Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Afstemmingsverordening leidt een gedraging van de tweede categorie tot een maatregel van 100% verlaging van de bijstandsnorm gedurende een maand. In artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening, voor zover van belang, is bepaald dat de maatregel wordt afgestemd op de ernst van het feit en de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Afstemmingsverordening kan worden afgezien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de gedingstukken voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant zich tijdens het sollicitatiegesprek op 5 februari 2007 zodanig heeft opgesteld dat Vak en Werk Rijnmond heeft afgezien van het aanbieden van een arbeidscontract. Het moet appellant op grond van gemaakte afspraken in het kader van het individuele trajectplan van 6 december 2006 in ieder geval duidelijk zijn geweest dat hij bemiddeld zou worden naar fulltime kniesparend werk, zodat het benadrukken van zijn knieklachten en het uiten van zijn wens om niet meer dan 20 uur per week te werken tijdens het sollicitatiegesprek geen positieve indruk zou achterlaten. De omstandigheid dat hij tevens zou hebben aangegeven zonodig fulltime te willen werken, neemt niet weg dat hij door deze houding bij Vak en Werk Rijnmond als potentiële werkgever niet gemotiveerd is overgekomen. Dat het de bedoeling was om naar aanleiding van het gesprek op 5 februari 2007 een arbeidsovereenkomst aan te bieden, ziet de Raad bevestigd in de schriftelijke uitnodiging voor het sollicitatiegesprek op 5 februari 2007, waarin met name wordt aangegeven dat tijdens het gesprek de mogelijkheden zullen worden onderzocht of aan appellant een arbeidsovereenkomst kan worden aangeboden. In de omstandigheid dat het verslag van het gesprek van 5 februari 2007 eerst op 13 februari 2007 is opgesteld, ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de weergave daarvan.

4.3. Naar het oordeel van de Raad heeft het College terecht geoordeeld dat appellant aldus zijn verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling onvoldoende is nagekomen. Aangezien van deze gedraging, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, was het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden de bijstand van appellant te verlagen.

4.4. Het College heeft de gedraging van appellant terecht gekwalificeerd als een gedraging van de tweede categorie als bedoeld in artikel 9, aanhef, onder 2, sub g, van de Afstemmingsverordening. De Raad stelt voorts vast dat de door het College vastgestelde verlaging in overeenstemming is met de verlaging die op grond van artikel 10, eerste lid, onder b, van de Afstemmingsverordening bij gedragingen van de tweede categorie moet worden vastgesteld. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de ernst van het feit en de gedraging, de mate waarin de gedraging appellant kan worden verweten of zijn persoonlijke omstandigheden het College aanleiding had moeten geven om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB en artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening een minder vergaande verlaging op te leggen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin dringende redenen als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Afstemmingsverordening.

4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en A.B.J. van der Ham en N.M. van Waterschoot als leden in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) C. de Blaeij.

AV