Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2512

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
09-5059 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opleggen correctienota’s over de jaren 2003 tot en met 2005. De Raad stelt vast dat appellant is blijven steken in - niet met verifieerbare gegevens onderbouwde - stellingen, en is dan ook van oordeel dat appellant niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd is. Appellant heeft er op gewezen dat inlener reeds € 600.000,-- heeft afgedragen aan loonbelasting en premies sociale verzekeringen voor illegale werknemers van appellant, welk bedrag in mindering gebracht zou moeten worden op de aan appellant opgelegde correctienota’s. De Raad volgt appellant niet in zijn betoog, en wijst er op dat het in onderhavig geschil uitsluitend gaat om de premievaststelling ten laste van de primair premieplichtige. Het feit dat inlener zelf reeds premies sociale verzekeringen zou hebben afgedragen is louter van belang bij het (na aansprakelijkstelling) feitelijk nog te betalen bedrag aan premies sociale verzekeringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5059 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 juli 2009, 07/8807 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv)

Datum uitspraak: 15 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Bharatsingh, advocaat te Hilversum, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bharatsingh, voornoemd. Het Uwv heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV), zoals die luidde ten tijde hier van belang.

2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant exploiteerde van 2003 tot en met 2005 in de vorm van een eenmanszaak een uitzendbureau onder de naam [naam uitzendbureau].

2.2. Op 26 oktober 2006 heeft de Belastingdienst rapport opgemaakt van een bij appellant gehouden boekenonderzoek over de jaren 2003 tot en met 2005. Blijkens dit rapport heeft de Belastingdienst vastgesteld dat - voor zover hier van belang - appellant in de jaren 2003 tot en met 2005 niet in de loonadministratie verantwoorde betalingen heeft verricht aan uitzendkrachten die via appellant werkzaam waren bij opdrachtgever [opdrachtgever] Na een vergelijking tussen (bij [opdrachtgever] aangetroffen) bestanden waarin de urenbriefjes van de uitzendkrachten waren opgenomen en bestanden die ten grondslag lagen aan de loonadministratie, heeft de Belastingdienst een schatting gemaakt van de niet in de loonadministratie verantwoorde betalingen. Dit heeft geleid tot een naheffingsaanslag loonheffing.

2.3. Het Uwv heeft zich geconformeerd aan de bevindingen van de Belastingdienst en op basis van het rapport van deze dienst op 1 juni 2007 aan appellant correctienota’s en boetenota’s over de jaren 2003 tot en met 2005 opgelegd.

2.4. Bij besluit van 12 oktober 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de correctienota’s over de jaren 2003 tot en met 2005 ongegrond verklaard, het bezwaar van appellant tegen de boetenota’s over de jaren 2003 tot en met 2005 gegrond verklaard en de boetenota’s over die jaren herroepen.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 oktober 2007 ongegrond verklaard.

4. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is, en ook de Raad gaat hier van uit, dat de via appellant bij [opdrachtgever] werkzame uitzendkrachten in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stonden tot appellant.

5.2. Appellant beperkt het hoger beroep expliciet tot het navolgende geschilpunt. Appellant stelt dat, naar zijn schatting, 60% van de werknemers, die buiten de loonadministratie om verloond werden, personen betreffen die op grond van de Koppelingswet niet verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringswetten, zodat voor deze personen ook geen premieplicht bestaat. Appellant heeft deze stelling onderbouwd door overlegging van personeelslijsten waarop door hem is aangevinkt wie de illegale werknemers waren, door verwijzing naar een (door hem geaccepteerd) transactievoorstel van € 12.600,-- in verband met het op 17 september 2003 op de [adres] door vreemdeling(en) arbeid laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning en door vermelding van een vonnis van 20 maart 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage waarin hij zou zijn veroordeeld voor het indienen van loonopgaven ten name van legale werknemers terwijl dit loon in werkelijkheid genoten werd door illegale werknemers.

5.3. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 9 juni 2009, LJN BJ1837, ligt het primair op de weg van de werkgever om zich te vergewissen van de verblijfsrechtelijke positie van de werknemers. Indien de werkgever zich op het standpunt stelt dat sprake was van illegale werknemers, dan mag van de werkgever verwacht worden dat hij bewijs levert voor de juistheid van die opvatting. De Raad volgt appellant dan ook niet in zijn, ter zitting ingenomen, standpunt dat van het Uwv gevergd had kunnen worden zelf onderzoek te verrichten naar de verblijfsrechtelijke positie van de door appellant buiten de loonadministratie om betaalde werknemers.

5.4. De Raad overweegt dat het aanvinken op personeelslijsten van personen die illegaal in Nederland zouden hebben verbleven onvoldoende is voor het bewijs dat sprake was van illegale werknemers. Ten aanzien van het overgelegde transactievoorstel overweegt de Raad dat appellant desgevraagd ter zitting heeft aangegeven dat het adres [adres] niet het adres van [opdrachtgever] betreft, zodat dit transactievoorstel, nog daargelaten de vraag wat appellant daarmee als zodanig zou kunnen bewijzen in een geschil als het onderhavige, niet relevant is voor de beoordeling van onderhavig geschil. Ook met het door appellant genoemde, maar niet overgelegde, vonnis van 20 maart 2009 levert appellant geen bewijs voor de stelling dat 60% van de buiten de loonadministratie om verloonde werknemers illegale werknemers zouden zijn geweest. De Raad stelt vast dat appellant is blijven steken in - niet met verifieerbare gegevens onderbouwde - stellingen, en is dan ook van oordeel dat appellant niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd is.

5.5. Ter zitting heeft appellant er op gewezen dat inlener [opdrachtgever] reeds € 600.000,-- heeft afgedragen aan loonbelasting en premies sociale verzekeringen voor illegale werknemers van appellant, welk bedrag in mindering gebracht zou moeten worden op de aan appellant opgelegde correctienota’s. De Raad volgt appellant niet in zijn betoog, en wijst er op dat het in onderhavig geschil uitsluitend gaat om de premievaststelling ten laste van de primair premieplichtige. Het feit dat inlener [opdrachtgever] zelf reeds premies sociale verzekeringen zou hebben afgedragen is louter van belang bij het (na aansprakelijkstelling) feitelijk nog te betalen bedrag aan premies sociale verzekeringen.

5.6. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en J.F. Bandringa en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

JvS