Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2509

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
09-3055 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsartsen zich voldoende gemotiveerd op het standpunt hebben gesteld dat er geen medische noodzaak aanwezig is voor het aannemen van een urenbeperking voor betrokkene. De Raad onderschrijft de reactie van de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 30 oktober 2008 op het standpunt van de Arbo-arts Bartels. Betrokkene moet in staat worden geacht de geduide functies te verrichten. Uitgaande van de drie eerstgenoemde functies magazijn-/expeditiemedewerker, produktiemedewerker textiel en meteropnemer is de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25%. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3055 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 18 mei 2009, 08/1236 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 23 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft P.M. Sjerps, verbonden aan Flynth adviseurs en accountants BV, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door Sjerps.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit op bezwaar van 13 maart 2008 heeft appellant gehandhaafd zijn besluit van 15 november 2007 om betrokkene vanaf 22 februari 2007 geen WAZ-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 13 maart 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Voorts zijn beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht genomen.

2.2. De rechtbank is, kort samengevat, tot het oordeel gekomen dat de medische grondslag van het besluit van 13 maart 2008 niet toereikend is omdat de bezwaarverzekeringsarts geen nader onderzoek heeft ingesteld naar de medische noodzaak voor een urenbeperking.

Naar het oordeel van de rechtbank dient daarbij meer aandacht te worden besteed aan een aantal met name genoemde aspecten uit de verzekeringsgeneeskundige Standaard verminderde arbeidsduur. Bij het onderzoek dient tevens betrokken te worden het verzekeringsgeneeskundige protocol Whiplash associated disorder I/II (Stcrt. 2008, 1064). Aan de beoordeling van de arbeidskundige grondslag van het besluit van 13 maart 2008 is de rechtbank niet toegekomen.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de medische grondslag van het besluit van 13 maart 2008 onvoldoende is gemotiveerd met betrekking tot de noodzaak van een urenbeperking. Onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 2 juni 2009, waarin de verschillende door de rechtbank genoemde aandachtspunten worden besproken, handhaaft appellant zijn standpunt dat er geen aanleiding is om een urenbeperking voor betrokkene aan te nemen.

Met betrekking tot de overweging van de rechtbank over het protocol Whiplash wijst appellant erop dat dit protocol pas op 1 april 2009 in werking is getreden, zodat daarmee nog geen rekening kon worden gehouden bij de aan de orde zijnde verzekeringsgeneeskundige beoordeling per 22 februari 2007.

3.2. Betrokkene heeft in verweer zijn in beroep bij de rechtbank aangevoerde stellingen met betrekking tot de noodzaak van een urenbeperking herhaald. Hij beroept zich daarbij met name op de door hem in het geding gebrachte rapportage van 14 oktober 2008 van de Arbo-arts D.R.C. Bartels, die zich op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene voor maximaal 30 uren in staat is zijn eigen aangepaste werkzaamheden uit te voeren. De 60 uren zoals voorheen lijken hem niet haalbaar en in de toekomst onwaarschijnlijk c.q. onwenselijk.

4.1. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsartsen zich in de rapportages van 8 februari 2008, 5 augustus 2008 en 30 oktober 2008, zoals samengevat in de rapportage van 2 juni 2009, voldoende gemotiveerd op het standpunt hebben gesteld dat er geen medische noodzaak aanwezig is voor het aannemen van een urenbeperking voor betrokkene. De Raad onderschrijft de reactie van de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 30 oktober 2008 op het standpunt van de Arbo-arts Bartels.

4.2. Met betrekking tot de toepasselijkheid van het protocol Whiplash associated disorder I/II verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 2 oktober 2009, LJN BJ9267.

4.3. Het hoger beroep van appellant met betrekking tot de medische grondslag van het besluit van 13 maart 2008 slaagt derhalve en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd.

4.4. De Raad is van oordeel dat deze zaak geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft en zal de zaak zonder terugwijzing afdoen en het besluit van 13 maart 2008 beoordelen.

4.5. De Raad onderschrijft ook overigens de medische grondslag van het besluit van 13 maart 2008.

4.6. Met betrekking tot de passendheid van de geduide functies volstaat de Raad met een beoordeling of de eventuele overschrijdingen in de belastbaarheid van betrokkene in voldoende mate en tijdig zijn toegelicht. Mede gelet op de door de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 3 juni 2010 gegeven nadere toelichting moet betrokkene in staat worden geacht de geduide functies te verrichten. Uitgaande van de drie eerstgenoemde functies magazijn-/expeditiemedewerker, produktiemedewerker textiel en meteropnemer is de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25%.

4.7. Het beroep is dus ongegrond.

5. Aangezien eerst in hoger beroep de passendheid van de functies voldoende is toegelicht ziet de Raad redenen appellant te veroordelen in de door betrokkene in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, op € 17,50 aan reiskosten in beroep en op € 30,30 in hoger beroep, in totaal € 1.335,80.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 1.335,80;

Bepaalt dat appellant aan betrokkene het betaalde griffierecht van € 39,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

RK