Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2489

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
10-365 WWB + 10-366 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Geen bijzondere omstandigheden. Hoogte aflossingsbedrag. Appellanten blijven beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/365 WWB

10/366 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 december 2009, 09/2166 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Toxopeus. Het College heeft zich, zoals vooraf bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden

verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellanten ontvingen sinds 1 juni 2001 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 12 december 2005 heeft het College de bijstand van appellanten over de periode van 1 juni 2001 tot en met 30 april 2005 ingetrokken, de hiermee verband houdende kosten van bijstand tot een bedrag van € 66.771,32 van beiden teruggevorderd en het aflossingsbedrag vastgesteld op € 115,40 per maand. Bij besluit van 16 juni 2006 heeft het College het hiertegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ’s-Gravenhage bij uitspraak van 17 juli 2007, 06/6114, ongegrond verklaard. De Raad heeft in zijn uitspraak van 20 januari 2009, LJN BH1768, de uitspraak van 17 juli 2007 vernietigd, het beroep van appellanten gegrond verklaard, het besluit van 16 juni 2006 vernietigd voor zover dit ziet op de intrekking van bijstand over de periode vóór 1 maart 2003 alsmede op de terugvordering, het besluit van 12 december 2005 herroepen voor zover dit ziet op de intrekking van bijstand over de periode vóór 1 maart 2003 en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt inzake de terugvordering met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. De Raad heeft in zijn uitspraak overwogen dat het College bevoegd is over te gaan tot terugvordering van de over de periode van 1 maart 2003 tot 1 mei 2005 betaalde kosten van bijstand en dat de Raad vooralsnog geen grond ziet voor het oordeel dat van deze bevoegdheid geen gebruik behoort te worden gemaakt.

1.3. Bij besluit van 27 februari 2009 heeft het College de kosten van bijstand over de periode van 1 maart 2003 tot 1 mei 2005 tot een bedrag van € 36.653,31 van appellanten teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 februari 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellanten hebben aangevoerd dat vanwege hun financiële positie, de volgens appellanten relatief oude vordering en het feit dat de aflossing veel tijd zal vergen, het College in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken.

4.2. Uit de gedingstukken kan worden opgemaakt dat het College het beleid voert dat in beginsel altijd wordt teruggevorderd, tenzij er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die aanleiding geven geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De Raad ziet in de onder 4.1 genoemde omstandigheden geen bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in het door het College gevoerde beleid dan wel bijzondere omstandigheden die het College aanleiding hadden moeten geven om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van het beleid af te wijken.

4.3. Appellanten hebben aangevoerd dat het door het College op hun bijstand ingehouden bedrag van € 115,40 per maand de norm voor invordering overstijgt. Uit hetgeen appellanten hebben aangevoerd kan de Raad niet afleiden dat door de betaling van € 115,40 per maand gedurende de periode hier in geding de tenuitvoerlegging van de terugvordering niet zodanig geschiedt dat appellanten blijven beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.4. Het voorgaande brengt met zich dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4.5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot als leden in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD