Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2486

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
07-217 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen urenbeperking. De Raad is van oordeel dat het door de deskundige verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest. Appellant heeft de belastbaarheid van betrokkene juist vastgesteld. De Raad is van oordeel dat betrokkene in staat moet worden geacht de maatgevende arbeid in volle omvang te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/217 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 8 december 2006, 05/1955 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 23 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft haar vader, [naam vader], wonende te Vaassen, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 1 juli 2008 is van de zijde van de Raad aan appellant een vraag gesteld, die bij brief van 11 augustus 2008 is beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

J. van Dalfsen. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Na de behandeling ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad G.H.C. Schardijn, reumatoloog, als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Deze heeft de Raad met een rapport van 26 december 2009 van verslag en advies gediend.

In reactie hierop heeft appellant een rapport van bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter van 26 januari 2010 ingediend. Namens betrokkene is een reactie, gedateerd 8 februari 2010, ingezonden.

Desgevraagd heeft de deskundige bij brief van 26 maart 2010 zijn visie nader toegelicht.

Appellant heeft daarop gereageerd door indiening van een rapport van De Kanter van 22 april 2010.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 7 mei 2010, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door W. Prins. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan betrokkene is met ingang van 10 februari 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.2. Bij besluit van 9 mei 2005 heeft appellant de onder 1.1 genoemde uitkering met ingang van 4 juli 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van betrokkenes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% bedroeg. Dit besluit berust - zo komt behalve uit dit besluit ook uit de daaraan ten grondslag liggende rapporten van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar voren - op het oordeel dat betrokkene op de datum in geding, gelet op haar medische beperkingen, in staat moet worden geacht de haar door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen en met die functies ten minste haar maatmaninkomen te verdienen, zodat van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO geen sprake is.

1.3. Bij besluit van 13 oktober 2005 is het bezwaar tegen evenvermeld besluit ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door betrokkene tegen het besluit van 13 oktober 2005, hierna: het bestreden besluit, ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege strijd met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervatte zorgvuldigheidsbeginsel. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het in de verzekeringsgeneeskundige advisering heeft ontbroken aan een toets aan de Standaard Verminderde arbeidsduur. Voorts overwoog de rechtbank (waarbij voor eiseres betrokkene dient te worden gelezen):

“De bezwaarverzekeringsarts De Kanter heeft wel gerefereerd aan de standaard urenbeperking, maar heeft de adviezen van de bedrijfsarts van begeleidende aard genoemd en erop gewezen dat de bedrijfsarts een andere invalshoek heeft en geen WAO-beoordeling uitvoert. Van een (nadere) afweging van enerzijds een geleidelijke opvoering van eiseresses werkuren in haar eigen werk, een evaluatie daarvan en het vinden van een evenwicht, als in de standaard genoemd, en anderzijds het functioneren en welbevinden van eiseres is in de rapportage van deze bezwaarverzekeringsarts niet gebleken. Ook in de nadere reacties van deze bezwaarverzekeringsarts hangende het vooronderzoek is niet ingegaan op de (wens tot) geleidelijke urenuitbreiding.

Voor een zodanige afweging c.q. beoordeling zou naar het oordeel juist meer reden zijn, aangezien eiseres van meet af aan op een urenbeperking heeft aangedrongen en zelfs reeds heeft laten zien een geleidelijke urenuitbreiding ‘met vallen en opstaan’ te hebben verwezenlijkt. Bij zodanige afweging zou wellicht ook zijn geconcretiseerd wat in eiseresses geval de invloed zou zijn (geweest) van de door de bezwaarverzekeringsarts (slechts in abstracto) aangestipte rol van conditioneringsprocessen en conditieverlies bij het onderhouden van de klachten.”

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij zich, in navolging van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 22 december 2006 onveranderd op het standpunt stelt dat bij betrokkene naar objectieve maatstaven gemeten geen beperkingen kunnen worden vastgesteld, die gerelateerd kunnen worden aan stoornissen, ziekte of gebreken en dat in het verlengde hiervan toetsing aan de richtlijnen van de Standaard Verminderde arbeidsduur niet meer aan de orde komt. Voor een vernietiging wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb is naar de opvatting van appellant dan ook geen plaats. Verzocht is de aangevallen uitspraak te vernietigen en het beroep alsnog ongegrond te verklaren.

3.2. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft appellant bij de in hiervoor in rubriek I genoemde brief zijn in hoger beroep ingenomen standpunt herhaald en hieraan toegevoegd nader van oordeel te zijn dat betrokkene ook geschikt dient te worden geacht voor haar maatgevende arbeid, zoals omschreven in het arbeidskundig rapport van

9 februari 2004.

3.3. Betrokkene heeft zich geschaard achter het oordeel van de rechtbank.

4.1. Uit het verhandelde ter zitting op 7 november 2008 is de Raad gebleken dat partijen primair verdeeld zijn over het antwoord op de vraag of een urenbeperking voor betrokkene is aangewezen. Teneinde te kunnen bepalen of appellant met recht ervan heeft afgezien voor betrokkene een urenbeperking vast te stellen heeft de Raad het aangewezen geacht zich te doen voorlichten door een deskundige.

4.2. De door de Raad als deskundige benoemde reumatoloog Schardijn is tot de conclusie gekomen dat er op de datum in geding sprake was van een chronisch benigne pijnsyndroom; daarnaast was betrokkene bekend wegens een scoliose, een status na RSI van de rechter bovenste extremiteit (2001) en een status na een astmatische bronchitis in de jeugd. Schardijn kon zich grotendeels verenigen met de door verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van betrokkene. In zijn nadere toelichting van 26 maart 2010 heeft de deskundige nader gemotiveerd waarom hij vanuit zijn discipline geen urenbeperking kan verdedigen.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad volgt hij de door hem ingeschakelde onafhankelijke deskundige, tenzij er op grond van feiten of omstandigheden aanleiding bestaat van dat uitgangspunt af te wijken. Daarvan is de Raad niet gebleken. De deskundige heeft zijn bevindingen en conclusies op inzichtelijke wijze en naar behoren gemotiveerd. Voorts is de Raad van oordeel dat het door de deskundige verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest.

Ook in hetgeen betrokkene tegen de opvatting van de deskundige heeft aangevoerd zijn voorbedoelde omstandigheden niet gelegen. Betrokkene heeft haar standpunt ter zake van de opvatting van de deskundige niet onderbouwd met gegevens afkomstig van een medicus.

5.3. Hieruit vloeit voort dat de Raad van oordeel is dat appellant de belastbaarheid van betrokkene op de datum in geding,

4 juli 2005, juist heeft vastgesteld en terecht heeft afgezien van het stellen van een urenbeperking.

5.4. Aldus uitgaande van de juistheid van door appellant vastgestelde belastbaarheid, is de Raad van oordeel dat betrokkene in staat moet worden geacht de maatgevende arbeid in volle omvang te verrichten.

6. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

7. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.M. Zeijen en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2010.

(get.) J. Brand.

(get.) M. Mostert.

RK