Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2484

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
08-3750 WWB + 08-4379 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Redelijke grond voor huisbezoek. Het College was (...)bevoegd om (...) de bijstand over de periode van 11 mei 2007 tot en met 31 mei 2007 terug te vorderen. Over de wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, zijn geen afzonderlijke gronden ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3750 WWB

08/4379 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 mei 2008, 07/4206 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is aan de orde gesteld ter zitting van 8 juni 2010, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante staat sinds 22 april 1991 in de basisadministratie van de gemeente Tilburg (hierna: GBA) ingeschreven op het adres [adres 1]. Vanaf 3 juni 1996 ontving zij bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van het zogeheten “project Langdurigheidstoeslag” en de ontvangst van een anonieme tip, inhoudende dat er al jaren een donkere man bij appellante inwoont, heeft het team fraudebestrijding van de gemeente Tilburg een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage die is afgesloten op 11 mei 2007.

In het kader van het onderzoek is informatie opgevraagd bij de GBA en de Dienst Wegverkeer en zijn afschriften van appellantes bankrekening opgevraagd.

Op 19 maart 2007 heeft een huisbezoek plaatsgevonden. Volgens de rapportage is appellante tijdens het huisbezoek geconfronteerd met de anonieme tip, heeft zij ontkend met iemand anders samen te wonen, maar wel erkend de heer [W.] te kennen en verklaard dat hij een goede vriend van haar en haar zoon is. In de periode van 21 maart 2007 tot en met 30 maart 2007 zijn vervolgens waarnemingen gedaan in de [adres]. Daarbij is de auto van [W.] een aantal malen ’s ochtends vroeg aangetroffen voor de woning van appellante. De bevindingen van het onderzoek zijn aanleiding geweest om de zaak over te dragen aan een buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: sociaal rechercheur) voor nader onderzoek.

De sociale recherche heeft in de periode van 2 mei 2007 tot en met 10 mei 2007 op werkdagen dagelijks observaties uitgevoerd nabij de woning van appellante. De sociaal rechercheurs hebben in deze periode iedere ochtend gezien dat de auto van [W.] bij appellante voor de deur stond geparkeerd en dat een man, waarvan werd vermoed dat het [W.] was, uit de brandgang achter de woning van appellante kwam, naar voornoemde auto liep en daarmee wegreed.

1.3. Naar aanleiding van de in 1.2 genoemde bevindingen en de verrichte observaties hebben de sociaal rechercheurs op 11 mei 2007 omstreeks 08:00 uur een onaangekondigd huisbezoek afgelegd op het adres van appellante. Volgens het daarvan op 11 mei 2007 opgemaakte rapport is ook die ochtend vastgesteld dat een man met getinte huid uit de poort achter de woning van appellante kwam en dat hij, bij het zien van één van de sociaal rechercheurs, omkeerde en weer naar binnen ging. Uit het rapport blijkt voorts dat appellante aanwezig was en dat haar de reden van het bezoek is meegedeeld. Appellante heeft aanvankelijk kenbaar gemaakt niet te willen meewerken aan het huisbezoek. Nadat haar was uitgelegd welke gevolgen het niet meewerken voor haar uitkering zou kunnen hebben, heeft zij de sociaal rechercheurs binnen gelaten en de benedenverdieping en de bij de woning behorende schuur getoond. Aan het verzoek van de sociaal rechercheurs om de rest van de woning te tonen wilde appellante niet meewerken. Ook nadat de sociaal rechercheurs haar nogmaals hadden uitgelegd welke consequenties het niet meewerken voor haar uitkering zou kunnen hebben, heeft appellante verdere medewerking aan het huisbezoek geweigerd. De sociaal rechercheurs hebben vervolgens de woning verlaten.

1.4. Bij besluit van 4 juni 2007 heeft het College de bijstandsuitkering van appellante beëindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 1 mei 2007. Bij besluit van 6 juni 2007 heeft het College een bedrag van € 865,80 aan gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 mei 2007 tot en met 31 mei 2007 van appellante teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 23 augustus 2007 heeft het College het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 4 juni 2007 ongegrond verklaard. Het tegen het besluit van 6 juni 2007 gemaakte bezwaar is in zoverre gegrond verklaard dat de terugvordering van de bijstand is beperkt tot de periode van 11 mei 2007 tot en met 31 mei 2007.

Tevens heeft het College de kosten van bezwaar van appellante vergoed. Aan het besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante, door geen volledige medewerking te verlenen aan het huisbezoek, de op haar rustende verplichtingen ingevolge artikel 17 van de WWB heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand vanaf 11 mei 2007 niet kon worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het tegen het besluit van 23 augustus 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank strookt de in het besluit van

23 augustus 2007 gehandhaafde intrekking van de uitkering per 1 mei 2007 niet met de in dat besluit gehanteerde motivering dat het recht op bijstand per 11 mei 2007 niet is vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat er een redelijke grond voor een verdere bezichtiging van de woning op 11 mei 2007 aanwezig was, alsmede voldoende grond om van appellante te verlangen dat zij medewerking verleende aan een huisbezoek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet is nagekomen en was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken.

Ten aanzien van de terugvordering heeft de rechtbank overwogen dat het College ten onrechte niet heeft aangegeven welk bedrag wordt teruggevorderd over de periode van 11 mei 2007 tot en met 31 mei 2007 en dat een afweging van belangen en een weergave van het terugvorderingsbeleid ontbreekt.

3.1. Het College heeft in de aangevallen uitspraak berust en ter uitvoering daarvan bij besluit van 19 juni 2008 het recht op bijstand ingetrokken met ingang van 11 mei 2007. De gemaakte kosten van bijstand over de periode van 11 mei 2007 tot en met 31 mei 2007 zijn van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 586,51.

De Raad ziet aanleiding om het besluit van 19 juni 2008 op grond van de artikelen 6:18, 6:19 in samenhang met 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in zijn beoordeling te betrekken.

3.2. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak en het nadere besluit gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende op verzoek onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB.

4.2. Artikel 53a, tweede lid, eerste volzin, van de WWB bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand.

4.3. Indien de belanghebbende deze inlichtingen- en medewerkingsverplichting niet of niet in voldoende mate nakomt en wanneer als gevolg daarvan, niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan naar vaste rechtspraak de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.

4.4. Eveneens volgens vaste rechtspraak van de Raad kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake indien op basis van concrete feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen

van de omvang van het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

4.5. De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval een redelijke grond voor een huisbezoek bestond evenals voor het verzoek aan appellante om de gehele woning te tonen. Gezien de bevindingen van het naar aanleiding van de anonieme tip verrichte onderzoek kon bij het College redelijkerwijs twijfel bestaan aan de juistheid van de opgave van appellante over haar woonsituatie. Daarbij hecht de Raad waarde aan de overgelegde bankafschriften, waaruit is gebleken dat appellante in de maanden mei, september, oktober en december 2006 en in januari 2007 geen opnames heeft gedaan voor levensonderhoud. Ook hecht de Raad waarde aan de in 1.2 genoemde waarnemingen in de periode van 21 maart 2007 tot en met 30 maart 2007, de in 1.3 genoemde observaties in de periode van 2 mei 2007 tot en met 10 mei 2007, alsmede de omstandigheid dat op de ochtend van het huisbezoek de sociaal rechercheurs hebben waargenomen dat [W.], nadat hij bij het verlaten van de brandgang één van de sociaal rechercheurs had gezien, omkeerde en weer naar binnen ging. Voorts is uit de bij de GBA opgevraagde informatie gebleken dat [W.] sinds 26 september 2003 staat ingeschreven op het adres [adres 2] in [plaatsnaam], alwaar ook de zoon van appellante volgens de GBA sinds 11 januari 2001 woonachtig is.

4.6. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de stelling van appellante dat zij “het helemaal had gehad”, geen aanvaardbare reden kan zijn om verdere medewerking aan een huisbezoek af te breken. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege medische of psychische redenen, zoals beschreven in haar brief van 22 juli 2007, niet in staat was het verzoek om mee te werken aan een huisbezoek en de mogelijke gevolgen van het weigeren hiervan te begrijpen.

4.7. Gelet op het onder 4.1 tot en met 4.6 overwogene was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef onder a, van de WWB de bijstand in te trekken vanaf 11 mei 2007. De wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt is niet bestreden. Hieruit volgt dat het College tevens bevoegd was om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de periode van 11 mei 2007 tot en met 31 mei 2007 terug te vorderen. Over de wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, zijn geen afzonderlijke gronden ingediend.

4.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

4.9. Uit het onder 4.1 tot en met 4.6 overwogene vloeit tevens voort dat het beroep tegen het besluit van 19 juni 2008 ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 juni 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.F. Bandringa en E.J.M. Heijs als leden in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. de Jong.

JvS