Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2480

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
08-3028 WWB + 08-3029 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Niet is gebleken dat appellante haar verklaring niet in vrijheid, maar onder ontoelaatbare druk heeft afgelegd. Voor dat oordeel is van belang dat appellante een zeer uitgebreide verklaring heeft afgelegd en daarbij aan het eind over de wijze van het afnemen van het verhoor heeft verklaard, zoals hiervoor vermeld. In die verklaring heeft zij aanvankelijk de samenwoning met appellant ontkend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3028 WWB

08/3029 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] en [appellant], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 18 april 2008, 07/916 en 07/917 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. I. Kruiders, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.

Mr. K.J. Coenen, advocaat te Enschede, heeft de behandeling van de zaak van mr. Kruiders overgenomen.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2010. Appellanten zijn zoals vooraf bericht niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A.J. Timmer, werkzaam bij de gemeente Enschede.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt bijstand naar de norm voor een alleenstaande van het College sinds 1 november 1989, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Het College heeft een anonieme tip ontvangen, inhoudende dat appellante al vier jaar samenwoont met appellant op haar adres, [adres] te [woonplaats], en dat de gehele buurt hiervan weet. Naar aanleiding van deze tip heeft de Sociale Recherche Twente (hierna: sociale recherche) in opdracht van het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Bij dit onderzoek zijn registers geraadpleegd, is navraag gedaan bij instanties, is een huisbezoek afgelegd en zijn waarnemingen verricht. Voorts is een buurtonderzoek verricht, zijn getuigen gehoord en zijn appellanten als verdachten verhoord.

1.3. Tijdens haar verhoor door de sociale recherche heeft appellante op 14 november 2006 onder meer het volgende verklaard, waarbij zij appellant aanduidde met [F.].

“U vraagt mij nogmaals waar [F.] wel is als zijn auto bij mij voor de deur staat, ik vind dat moeilijk om te zeggen, ik wil geen verrader zijn. Nou ik zal het u toch zeggen, [F.] heeft sinds september vorig jaar een relatie met [K.], zij woont aan de [adres 2] in [woonplaats]. Zij is de ex van mijn broer [D.] van [A.]. Mijn broer heeft in feite vorig jaar september de woning moeten verlaten en toen is [F.] daar ingetrokken. Dat is dus de reden dat de auto van [F.] door u en uw collega’s altijd bij mijn woning wordt gezien. U vraagt mij hoe het nu zit met de periode voor september vorig jaar. [F.] heeft vorig jaar zijn spullen gepakt, is toen verhuisd naar nummer [nr.]. Hij heeft toen zijn kleding, zijn computer en zijn papieren meegenomen. Toen hij bij mij introk was dat ook [het] enige wat hij meenam. Uiteindelijk moet ik toegeven dat wij, [F.] en ik, inderdaad een tijd hebben samengewoond, zoals u dat noemt. Ik denk dat zo rond zijn verjaardag in 2002 wij hebben besloten dat [F.] bij [mij] in de woning kon trekken, als van natuurlijk. Hij woonde toen bij zijn zoon […] Hij is toen met zijn spullen, kleding en papieren bij mij ingetrokken. Toen hij jarig was dat jaar, 2002, woonde hij dus bij mij in huis. Toen is ook de relatie begonnen. Ik heb vanaf het begin voor hem de was gedaan, eten gekookt. [F.] gaf mij wel eens geld voor boodschappen. De vaste lasten heb ik altijd zelf betaald. [F.] gaf wel eens wat of ik moest erom vragen als mijn geld op was. [F.] wist wel dat ik een uitkering had. […]

Ik heb nooit op de formulieren van de sociale dienst opgegeven dat [F.] bij mij woonde omdat ik geen idee had wanneer hij weer zou weggaan. Ik heb nooit bij [F.] het gevoel gehad dat ik op hem kon bouwen en achteraf blijkt dat ook wel. Ik heb nooit een gevoel gehad bij [F.] dat wij altijd bij elkaar zouden blijven. Ik heb de sociale dienst daarom ook nooit verteld dat [F.] bij mij woonde. Ik heb dat niet gedaan om de sociale dienst op te lichten. Uiteindelijk heb ik ook gelijk gekregen over [F.], zo rond augustus of september 2005 heb ik van mijn broer [D.] gehoord dat [F.] en [K.] een relatie hadden. Mijn broer is in september vorig jaar ook uit de woning vertrokken. Uiteindelijk heb ik [F.] op nieuwjaarsdag 2006 zelf ook uit de woning gezet. Hij is toen gelijk ingetrokken bij [K.] op nummer [nr.].”

Aan het einde van haar verhoor heeft appellante nog het volgende verklaard.

“Ik had gewoon op moeten geven dat [F.] bij mij woonde en dat wij in feite samenwoonde(n). Ik zie wel wat er verder van komt. Ik vond het verhoor wel goed, u heeft mij niet onder druk gezet en ik heb mijn verhaal goed kunnen doen.”

Van dit verhoor is op ambtseed een proces-verbaal gemaakt. Appellante heeft haar verklaring op iedere pagina ondertekend.

1.4. Tijdens het onderzoek is gebleken dat appellant aan zijn werkgever heeft opgegeven dat zijn verpleegadres het adres van appellante was in de periode 12 juli 2004 tot en met 5 september 2004. Appellant heeft tijdens zijn verhoren op 14 en 16 november 2006 ontkend een relatie te hebben gehad met appellante, en verklaard dat hij altijd bij zijn zoon of zijn zus heeft gewoond. Wel heeft appellant vóór 2006 appellante wel eens een paar keer mee naar de camping genomen. Appellant heeft er geen verklaring voor dat bij zijn werkgever het adres van appellante als zijn verpleegadres is geregistreerd.

1.5. Op 18 januari 2007 heeft de genoemde broer van appellante tegenover de sociale recherche onder meer het volgende verklaard, waarbij hij appellante aanduidde met [A.] en appellant met [F.]. Deze verklaring heeft hij ondertekend.

“In 2003 woonden [A.] en ik in dezelfde straat in [woonplaats] een paar huizen van elkaar. Ik weet wel dat [A.] en [F.] toen samenwoonden. Hoe lang ze hebben samengewoond weet ik niet. Ik weet wel dat sinds januari 2006 [F.] en [J.] officieel samenwonen.”

1.6. De resultaten van het door de sociale recherche uitgevoerde onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest bij besluit van 28 februari 2007 de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB in te trekken over de periode 1 augustus 2002 tot en met 31 december 2005 op de grond dat zij niet heeft meegedeeld aan het College dat zij in die periode een gezamenlijke huishouding voerde met appellant. Bij dat besluit zijn ook de kosten van de verleende bijstand tot een bedrag van € 44.462,33 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 28 februari 2007 zijn deze kosten van bijstand met toepassing van artikel 59 van de WWB mede van appellant teruggevorderd op de grond dat hij met appellante in de genoemde periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

1.7. Bij besluiten van 9 juli 2007 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 28 februari 2007 gedeeltelijk gegrond verklaard en de aanvang van periode waarover de bijstand wordt ingetrokken nader bepaald op 29 augustus 2002. In verband daarmee is het bedrag van de (mede-)terugvordering beperkt tot € 43.666,46. Aan appellanten samen is een vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten toegekend tot een bedrag van € 644,--.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen het besluiten van

9 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij hebben daarbij gemotiveerd betoogd dat de rechtbank ten onrechte een gezamenlijke huishouding tussen appellanten aannemelijk heeft geacht in de periode in geding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Beslissend voor de uitkomst van dit hoger beroep is of, zoals tussen partijen in geschil is, het College aannemelijk heeft gemaakt dat appellanten in de periode van 29 augustus 2002 tot en met 31 december 2005 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd zonder dat appellante daarvan bij het College melding heeft gemaakt. Blijkens de besluiten van 9 juli 2007 steunt het standpunt van het College dat appellanten een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd vooral op de verklaring van appellante en voorts op verklaringen van andere betrokkenen, de opgave van het verpleegadres van appellant bij appellante en het waterverbruik in de betrokken periode op het adres van appellante en dat van de zuster van appellant.

4.2. De grief, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte betekenis heeft toegekend aan het geconstateerde afwijkende waterverbruik op de twee genoemde adressen behoeft geen bespreking meer, nu het College dit onderdeel van de motivering van de besluiten van 9 juli 2007 in hoger beroep heeft laten vallen. De vraag of de besluiten van 9 juli 2007 desondanks op een deugdelijke motivering berusten, beantwoordt de Raad in het volgende.

4.3. Appellanten herhalen in hoger beroep hun klacht dat geen betekenis kan worden toegekend aan de verklaring van appellante, omdat die onder ontoelaatbare druk is afgelegd en dus niet als bewijs kan dienen.

4.4. De Raad ziet geen aanleiding in dit geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. De Raad is met het College en de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat appellante haar verklaring niet in vrijheid, maar onder ontoelaatbare druk heeft afgelegd. Voor dat oordeel is van belang dat appellante een zeer uitgebreide verklaring heeft afgelegd en daarbij aan het eind over de wijze van het afnemen van het verhoor heeft verklaard, zoals hiervoor vermeld. In die verklaring heeft zij aanvankelijk de samenwoning met appellant ontkend. Blijkens haar verklaring is zij door het onderwerp betreffende de nieuwe relatie van appellant met een buurvrouw bewogen om terug te komen op haar eerdere ontkennende verklaring. Dat wijst geenszins op door anderen op haar uitgeoefende druk. Daarvoor zijn ook verder geen aanknopingspunten gevonden. Deze beroepsgrond faalt daarom.

4.5. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.6. Voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet naar vaste rechtspraak de feitelijke woonsituatie doorslaggevend worden geacht. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.7. De Raad is van oordeel dat uit de stellige en gedetailleerde verklaring van appellante volgt dat appellant in de periode in geding zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Dit wordt ondersteund door de verklaring van de broer van appellante en de opgave van appellant aan zijn werkgever van het adres van appellante als zijn verzorgingsadres. Aan de stellige ontkenning van appellant komt minder betekenis toe, juist ook omdat hij voor de bedoelde opgave aan zijn werkgever geen enkele verklaring kan geven. De klacht dat tijdens het huisbezoek geen sporen van samenwoning zijn aangetroffen, faalt reeds, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, omdat ten tijde van het huisbezoek de samenwoning al was beëindigd en uit de verklaring van appellante volgt dat appellant al zijn spullen had meegenomen. Dit voert tot de conclusie dat appellant in de periode in geding zijn hoofdverblijf had bij appellante. Aan het gegeven dat appellant in die periode ingeschreven stond op een ander adres komt dan ook geen betekenis toe.

4.8. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

4.9. De stelling van appellanten dat aan dit criterium niet is voldaan faalt. Uit de verklaring van appellante volgt onmiskenbaar dat een - zij het beperkte - financiële verstrengeling tussen haar en appellant bestond en dat zij hem verzorgde met de was en eten koken. Uit de verklaring van appellant blijkt ook van verzorging van appellante waar hij haar meenam naar de camping.

4.10. Appellante heeft aan het College niet gemeld dat zij met appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Daarmee heeft zij de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Daaraan staat niet in de weg de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie wegens gebrek aan bewijs geen strafvervolging heeft ingesteld tegen appellante. De bestuursrechter gaat met betrekking tot de vraag of appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden uit van een eigen vaststelling en waardering van de zich voordoende feitelijke omstandigheden en is hierbij niet gebonden aan het oordeel van het Openbaar Ministerie.

4.11. Dit leidt tot de conclusie dat het College aannemelijk heeft gemaakt dat in de periode in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen appellanten zonder dat appellante daarvan bij het College melding heeft gemaakt en dat de motivering van de besluiten van 7 juli 2007, voor zover gehandhaafd, deugdelijk is. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) J. de Jong.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

SG