Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2475

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
08/3635 WWB + 08/3636 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingverplichting. Toekenning PGB. Diverse periodes. Zorg door echtgenote van appellant en zorg door de broer van appellante. Vaststelling van de hoogte van het als fictief inkomen in aanmerking te nemen bedrag.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3635 WWB

08/3636 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]) en [appellante], beiden wonende te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 mei 2008, 07/4550 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. W.G.N.M. van Caam, advocaat te Roosendaal, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2010. Voor appellanten is verschenen mr. Van Caam. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P.L.W.G. van de Molengraaf, werkzaam bij de gemeente Roosendaal.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen sinds 29 mei 2002 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft aangeboren geestelijke en lichamelijke beperkingen, waardoor hij volledig afhankelijk is van de zorg van anderen en niet alleen thuis kan zijn. Appellante spreekt niet of nauwelijks Nederlands en is analfabeet.

1.2. In augustus 2006 heeft Reaned aan het College een medisch en arbeidskundig advies uitgebracht met het oog op de arbeidsmogelijkheden van appellanten. De conclusie van Reaned is dat appellant blijvend volledig arbeidsongeschikt is en dat appellante weliswaar volledig arbeidsgeschikt is, maar sociale beperkingen heeft door haar taalachterstand, beperkte arbeidsverleden en de zorgtaak voor appellant. Zoals blijkt uit de rapportage beëindiging van 27 november 2006, is appellante omdat zij wegens de zorgtaken voor appellant geen taalcursus of een traject richting inschakeling in de arbeid kon volgen, vanwege het College van januari 2006 tot juli 2006 opgenomen in een zorgtraject. De bedoeling was dat appellante een persoonsgebonden budget (PGB) voor appellant zou aanvragen, zodat zij uit dat budget voor de door haar verleende zorg betaald kon worden. Hierover is meermalen gesproken met appellante en de familie van appellant die als belangenbehartigers voor appellanten optraden. Op grond van de verstrekte informatie heeft het College nadere inlichtingen ingewonnen bij het Zorgkantoor West Brabant. Daaruit bleek dat aan appellant al vanaf 12 december 2003 een PGB is verleend waarmee hij de aan hem te verlenen zorg kan inkopen. Voor 2006 is een PGB toegekend voor 7 tot 9,9 uur per week ondersteunende begeleiding en 4 tot 6,9 uur per week persoonlijke verzorging op basis van een indicatie die geldig is tot 30 november 2009. Van december 2003 tot en met december 2005 is als hulpverlener opgegeven appellante en vanaf 1 januari 2006 [naam broer], een broer van appellant. Het PGB bedroeg in 2006 € 21.587,13 netto dat, verminderd met het vrij te besteden bedrag, in vier delen als voorschot werd overgemaakt op de bankrekening van appellant. Van die rekening werd

€ 1.341,79 netto per maand overgemaakt op de rekening van [naam broer] en [naam vader], de broer respectievelijk de vader van appellant.

1.3. Het College heeft in de verkregen informatie aanleiding gevonden bij besluit van 12 december 2006 de bijstand van appellanten met ingang van 1 november 2006, na bezwaar gewijzigd in 12 december 2006, te beëindigen. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Bij besluit van 27 april 2007 heeft het College de bijstand met ingang van 12 december 2003 ingetrokken en de over de periode van 12 december 2003 tot en met 11 december 2006 gemaakte kosten van bijstand van hen teruggevorderd tot een bedrag van bruto € 47.029,80.

1.4. Bij besluit van 13 september 2007 heeft het College de bezwaren van appellanten tegen het besluit van 27 april 2007 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante ook na 1 januari 2006 de daadwerkelijke zorg aan appellant is blijven verlenen en daarom een geldelijke beloning moet ontvangen uit het PGB. Deze beloning is een inkomensbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de WWB en moet als inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB worden aangemerkt. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de WWB hebben appellanten geen recht op bijstand, nu het inkomen, namelijk het PGB, hoger is dan de bijstandsnorm. Door niet door te geven dat zij met ingang van 12 december 2003 een PGB hadden, hebben zij de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden, waardoor aan hen ten onrechte bijstand is verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 13 september 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellante, die de feitelijke zorg voor appellant heeft verricht, voor de toepassing van de WWB redelijkerwijs aanspraak heeft, althans aanspraak kan maken op het PGB. De uit een PGB gedane betalingen moeten worden aangemerkt als voor de bijstandsverlening in aanmerking te nemen inkomsten uit arbeid. Nu het PGB hoger is dan de bijstandsnorm voor gehuwden, hadden appellanten geen recht op bijstand. Het College heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting niet behoorlijk zijn nagekomen en dat dit geleid heeft tot het ten onrechte verlenen van bijstand.

3. In hoger beroep hebben appellanten de juistheid van dit oordeel bestreden. Zij stellen dat voor de beoordeling van het recht op bijstand over een periode in het verleden niet van belang is of zij redelijkerwijs konden beschikken over een inkomen, maar of zij feitelijk inkomen hebben ontvangen. Het inkomen dat zij redelijkerwijs hadden moeten hebben, kunnen zij immers niet meer krijgen. Verder menen appellanten dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden nu zij zich gezien hun specifieke omstandigheden niet bewust waren van deze verplichting. Het was hun niet redelijkerwijs duidelijk dat het PGB van invloed zou zijn op hun bijstandsuitkering. Met betrekking tot de terugvordering stellen appellanten dat hun geen verwijt kan worden gemaakt van het ten onrechte ontvangen van bijstand. Dat heeft het College zelf ook vastgesteld in het kader van het eventueel opleggen van een maatregel. Nu elke verwijtbaarheid ontbreekt, is sprake van dringende redenen om af te zien van terugvordering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot de intrekking van bijstand stelt de Raad in de eerste plaats vast dat de in dit geding door de bestuursrechter te beoordelen periode loopt vanaf 12 december 2003, de ingangsdatum van de intrekking van bijstand, tot 12 december 2006, de datum met ingang waarvan de bijstand bij het besluit van 12 december 2006 is beëindigd.

4.2. De Raad ziet aanleiding om een onderscheid te maken tussen de periode van 12 december 2003 tot 1 januari 2006, waarin appellante bij het zorgkantoor was aangewezen als zorgverlener, en de periode van 1 januari 2006 tot 12 december 2006, waarin haar zwager [naam zwager] als zorgverlener was aangewezen.

4.3. De periode van 12 december 2003 tot en met 31 december 2005.

4.3.1. In artikel 42 van de Algemene bijstandswet (Abw) en het - gelijkluidende - artikel 31, eerste lid, van de WWB is bepaald dat tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Ingevolge artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Abw wordt - voor zover hier van belang - onder inkomen verstaan de op grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen voor zover deze betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid en deze middelen betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WWB is gelijkluidend aan deze bepaling.

4.3.2. Het PGB dat aan appellant als budgethouder is toegekend, kan als zodanig niet worden beschouwd als in aanmerking te nemen middelen van appellant als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de WWB.

4.3.3. Vaststaat dat appellante in de hier besproken periode aan het zorgkantoor was opgegeven als zorgverlener voor appellant en hem ook daadwerkelijk intensieve zorg verleende. Nu er in deze periode naast appellante geen andere zorgverlener was aangewezen, had appellante naar het oordeel van de Raad aanspraak op een bedrag ter hoogte van het netto PGB als betaling voor de door haar verleende zorg. Nu de voorschotten op het netto PGB door het zorgkantoor werden overgemaakt naar de op naam van appellant staande rekening, kon appellant en dus ook appellante feitelijk beschikken over het bedrag waarop zij als betaling voor de geleverde zorg aanspraak had. Deze middelen zijn aan te merken als inkomsten als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Abw respectievelijk artikel 32, eerste lid, van de WWB. De omstandigheid dat van de rekening van appellant een bedrag ter hoogte van het PGB feitelijk aan derden, namelijk familieleden van appellant werd doorbetaald, doet aan deze conclusie geen afbreuk. Nu de in aanmerking te nemen inkomsten hoger zijn dan de voor appellanten als gehuwden geldende bijstandsnorm, hadden zij over de hier besproken periode geen recht op bijstand.

4.3.4. Appellanten hebben niet aan het College opgegeven dat aan appellant vanaf 12 december 2003 een PGB was toegekend. Naar het oordeel van de Raad kon aan appellante redelijkerwijs duidelijk zijn dat de toekenning van een PGB van invloed kon zijn voor het recht op bijstand, nu zij als zorgverlener recht had op betaling uit het PGB voor de door haar verleende zorg. Door daarvan geen mededeling te doen aan het College is appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting onvoldoende nagekomen. De omstandigheid dat appellante analfabeet is, niet of nauwelijks Nederlands spreekt, en in het maatschappelijke verkeer en ook in de contacten met het College wordt bijgestaan door haar schoonfamilie, laat onverlet dat al hetgeen in het kader van deze ondersteuning door deze familieleden wordt gedaan of nagelaten tot haar verantwoordelijkheid blijft behoren.

4.3.5. Nu de schending van de inlichtingenverplichting ertoe heeft geleid dat aan appellanten tot een te hoog bedrag bijstand is verleend, was het College bevoegd de bijstand van appellanten over de periode van 12 december 2003 tot en met 31 december 2005 in te trekken. De wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt is in hoger beroep niet bestreden.

4.4. De periode van 1 januari 2006 tot en met 11 december 2006.

4.4.1. In deze periode was de broer van appellant aangewezen als zorgverlener. Zoals blijkt uit een overgelegde loonstrook over september 2006 werd vrijwel het volledige netto voorschot PGB aan de broer van appellant doorbetaald. Hoewel appellante ook in deze periode feitelijk zorg aan appellant is blijven verlenen, kon zij geen aanspraak maken op betalingen voor die zorg uit het PGB.

4.4.2. Naar vaste rechtspraak dient bij de vaststelling van de hoogte van inkomsten uit arbeid in beginsel te worden uitgegaan van de feitelijk verrichte werkzaamheden en de inkomsten die daaruit daadwerkelijk worden verworven dan wel kunnen worden verworven. Voor het in aanmerking nemen van een fictief inkomen is onder meer ruimte indien de hoogte van de inkomsten niet kan worden vastgesteld, of indien tegenover het verrichten van productieve arbeid geen dan wel zo'n lage beloning staat dat van een reële betaling voor die arbeid geen sprake is.

4.5. De Raad is van oordeel dat dit laatste geval zich hier voordoet. Aangezien aan appellant een PGB is toegekend op basis van een indicatie voor onder meer persoonlijke verzorging, moet de door appellante aan hem verleende zorg worden aangemerkt als op geld waardeerbare arbeid waartegenover een vergoeding staat dan wel behoort te staan. Het feit dat appellante deze zorg verleende binnen de huwelijkse relatie maakt dat in dit geval niet anders. De Raad neemt hierbij in aanmerking de omvang en de duur van de werkzaamheden van appellante, waardoor zij niet beschikbaar is voor arbeid, evenals het feit dat appellante - met hulp van haar schoonfamilie - zelf een PGB voor appellant heeft aangevraagd met het oog op die werkzaamheden. Anders dan appellanten menen, staat het feit dat appellante deze inkomsten over de in geding zijnde periode, feitelijk niet meer kan verkrijgen, niet aan het aannemen van fictieve inkomsten in de weg.

4.5.1. Bij de vaststelling van de hoogte van het als fictief inkomen in aanmerking te nemen bedrag is het College er van uitgegaan dat aan appellante een bedrag uit het PGB toekwam, dat hoger was dan de bijstandsnorm voor gehuwden. Daarbij is het College er aan voorbijgegaan dat de broer van appellant in deze periode de bij het zorgkantoor bekende zorgverlener was, dat op grond van de beschikbare gegevens moet worden aangenomen dat hij feitelijk in elk geval een deel van de geïndiceerde ondersteunende begeleiding op zich nam en dat hij daarom aanspraak had op betalingen uit het PGB. Het voorgaande brengt mee dat slechts een deel van het PGB als fictief inkomen van appellante in aanmerking kan worden genomen. In zoverre berust het besluit van 13 september 2007 niet op een deugdelijke grondslag.

4.5.2. Gezien het voorgaande berust de terugvordering van bijstand over de periode van 1 januari 2006 tot en met 11 december 2006 evenmin op een deugdelijke grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad zal, met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 13 september 2007 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen voor zover dat ziet op de intrekking van bijstand over de periode van 1 januari 2006 tot en met 11 december 2006 en op de terugvordering van bijstand.

4.6. Het College zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellanten. Daarbij geldt wat betreft de periode van 12 december 2003 tot 1 januari 2006 dat het College bevoegd is de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen. Het College heeft in overeenstemming gehandeld met de door hem gehanteerde beleidsregels inzake terugvordering van bijstand. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd met betrekking tot de verwijtbaarheid van het ten onrechte ontvangen van bijstand, ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in deze beleidsregels om geheel of ten dele van terugvordering af te zien. Daarin zijn evenmin bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan het College van deze beleidsregels had moeten afwijken. Wat betreft de periode van 1 januari 2006 tot en met 11 december 2006 is het College bevoegd tot herziening van de bijstand tot een bedrag ter hoogte van het verschil van de norm voor gehuwden en een nader te bepalen bedrag aan fictieve inkomsten, en tot terugvordering van de als gevolg van die herziening te veel betaalde bijstand.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 september 2007 gegrond en vernietigt dat besluit, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 januari 2006 tot en met 11 december 2006 en op de terugvordering;

Bepaalt dat het College in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.288,-- ;

Bepaalt dat het College aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 146,-- in totaal vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.F. Bandringa en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. de Jong.

HD