Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2461

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
09-763 WWB + 09-822 WWB + 09-824 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluiten 1 en 2: Over deze besluiten zijn reeds procedures gevoerd. Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Besluiten 3 en 4: Schending inlichtingenverplichting. Intrekking en terugvordering bijstand. Besluit 5: overschrijding bezwaartermijn. Appellant is zelf verantwoordelijk voor de behandeling van zijn post nadat deze op het door hem opgegeven adres is bezorgd. Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die dit anders maken. Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/763 WWB

09/822 WWB

09/824 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank 's Gravenhage van 18 december 2008, 08/118, 08/117 en 08/119 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.A. Bosch, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2010. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Bosch. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft bijstand ontvangen ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) en de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 15 september 2003 heeft het College de kosten van de over de periode van 26 augustus 2003 tot en met 31 augustus 2003 betaalde bijstand tot een bedrag van € 146,68 van appellant teruggevorderd (besluit 1).

1.3. Bij besluit van 21 november 2003 heeft het College de bijstand over de periode van 16 mei 2003 tot en met 25 augustus 2003 ingetrokken en de kosten van de over deze periode betaalde bijstand tot een bedrag van € 2.967,68 van appellant teruggevorderd (besluit 2).

1.4. Bij twee afzonderlijke besluiten van 29 november 2005 heeft het College de bijstand met ingang van 17 maart 2005 ingetrokken en de kosten van de over de periode van 17 maart 2005 tot en met 31 maart 2005 betaalde bijstand tot een bedrag van € 333,83 van appellant teruggevorderd (besluiten 3 en 4).

1.5. Bij besluit van 29 november 2006 heeft het College de bijstand over de perioden van 25 juli 2002 tot en met 15 mei 2003, van 3 november 2003 tot en met 15 mei 2004 en van 8 juni 2004 tot en met 16 maart 2005 ingetrokken en de kosten van de over deze perioden betaalde bijstand tot een bedrag van € 26.456,71 van appellant teruggevorderd (besluit 5).

1.6. Bij drie afzonderlijke besluiten van 28 november 2007 heeft het College (a) de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk verklaard, (b) de bezwaren van appellant tegen de besluiten 3 en 4 ongegrond verklaard en (c) het bezwaar van appellant tegen besluit 5 niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 28 november 2007 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraken gemotiveerd bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De besluiten 1 en 2

4.1.1. Met de rechtbank en op de daartoe in de aangevallen uitspraak aangegeven gronden, stelt de Raad vast dat over de besluiten 1 en 2 reeds procedures zijn gevoerd en dat deze besluiten in 2004 en 2005 in rechte onaantastbaar zijn geworden. Dat appellant zich deze procedures niet kan herinneren geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen, te minder nu de stukken laten zien dat appellant zich destijds heeft laten bijstaan door een advocaat, mr. M.C. Schmidt.

4.1.2. Het College heeft de thans aan de orde zijnde (nieuwe) bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Evenzeer terecht heeft het College de brief van 14 maart 2007, waarin het College een overzicht geeft van de nog openstaande vorderingen, aangemerkt als zuiver informatief en niet op enig rechtsgevolg gericht. Dit betekent dat het hier niet gaat om een besluit en dat er geen aanleiding was om de bezwaren mede tegen deze brief gericht te achten.

4.1.3. Dit hoger beroep slaagt dus niet.

4.2. De besluiten 3 en 4

4.2.1. Het College heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft omtrent zijn woonsituatie, als gevolg waarvan zijn recht op bijstand niet is vast te stellen. Het geschil in hoger beroep spitst zich hierop toe.

4.2.2. Appellant heeft aangevoerd dat geen wettelijk voorschrift is aan te wijzen op grond waarvan hij verplicht was gegevens omtrent zijn woon of verblijfsadressen te verstrekken. Dit betoog treft geen doel. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB voor zover hier van belang rust op de belanghebbende de verplichting om aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Zoals de Raad reeds vele malen heeft uitgesproken, strekt deze verplichting zich mede uit tot het verstrekken van juiste en volledige informatie over het woonadres, aangezien dit gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Dit laatste volgt reeds uit artikel 40, eerste lid, van de WWB, op grond waarvan het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft. Het volgt bijvoorbeeld ook uit artikel 11, eerste lid, van de WWB, aangezien inzicht in de woon en leefsituatie van de belanghebbende noodzakelijk is voor de vaststelling van bijstandsbehoeftigheid als in dit artikellid bedoeld. Appellant kan dan ook niet staande houden dat de hier aan de orde zijnde verplichting in strijd met het legaliteitsbeginsel onvoldoende wettelijk is omlijnd.

4.2.3. Appellant heeft opgegeven woonachtig te zijn aan de [adres] te [woonplaats]. Vast staat dat hij per 17 maart 2005 uit die woning is gezet. Dat appellant desgevraagd niet bereid was de namen en adressen te verstrekken van degenen bij wie hij sedertdien heeft verbleven, komt voor zijn eigen risico. De op zichzelf aannemelijke verwachting van appellant dat het College zich dan ter verkrijging van bevestiging tot die personen zou wenden, kan deze weigering niet rechtvaardigen.

4.2.4. Dit hoger beroep slaagt dus evenmin.

4.3. Besluit 5

4.3.1. Appellant heeft tegen dit besluit van 29 november 2006 eerst bij brief van 4 februari 2007 bezwaar gemaakt. Het College heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de uit de artikelen 6:7, 6:8 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voortvloeiende bezwaartermijn van zes weken na de dag van verzending is overschreden.

4.3.2. Vast staat dat het besluit niet aangetekend was verzonden. Uit het bezwaarschrift blijkt evenwel dat appellant het besluit daadwerkelijk heeft ontvangen. Zijn ontkenning van de ontvangst, in het aanvullend bezwaarschrift van 24 juli 2007, is dan ook niet geloofwaardig (CRvB 16 december 2008, LJN BG7243). Met betrekking tot de vraag hoe en wanneer hij het besluit in handen heeft gekregen, heeft appellant steeds wisselende verklaringen afgelegd. Onder deze omstandigheden gaat de Raad, mede gelet op hetgeen uit de stukken naar voren komt omtrent de door het College gehanteerde verzendprocedure, ervan uit dat het besluit op of omstreeks 30 november 2006 is verzonden. Dit betekent dat de bezwaartermijn met enkele weken is overschreden.

4.3.3. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft, in geval van termijnoverschrijding, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Appellant heeft zich beroepen op de chaotische verdeling van binnengekomen post in het tehuis waar hij verbleef en waarvan hij het adres aan het College had opgegeven. Naar de rechtbank terecht heeft overwogen, is appellant echter zelf verantwoordelijk voor de behandeling van zijn post nadat deze op het door hem opgegeven adres is bezorgd. Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die dit anders maken.

4.3.4. Appellant heeft de Raad verzocht om twee functionarissen van het tehuis als getuige op te roepen teneinde over de problemen met de interne postverdeling te verklaren. De Raad heeft dit verzoek afgewezen. Ook indien de getuigen zouden bevestigen dat de postverdeling in het tehuis slecht was georganiseerd, kan dit blijkens hetgeen onder 4.3.3 is overwogen op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is te achten. Dat de getuigen iets concreets zouden kunnen verklaren over de lotgevallen van besluit 5 binnen het tehuis, is gesteld noch gebleken.

4.3.5. Nu ook overigens niet van gronden voor verontschuldigbaarheid is gebleken, moet worden geoordeeld dat het College het bezwaar tegen besluit 5 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.3.6. Dit hoger beroep slaagt dus evenmin.

4.4. De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en R. Kooper en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J. de Jong.

JvS