Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2458

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
08-662 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Schending inlichtingenverplichting. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College op grond van de bevindingen van het onderzoek naar de woonsituatie van appellant, zoals neergelegd in het rapport van 10 april 2007, terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke woonadres. De Raad wijst er voorts op dat appellant geen andere bewijsstukken ten aanzien van zijn woonadres heeft overgelegd, zoals de door het College gevraagde kopie van het huurcontract en bewijs van huurbetalingen. Het College heeft derhalve de aanvraag om bijstand van 12 maart 2007 terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/662 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 december 2007, 07/3321 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft F.M. Heltzel, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 15 juni 2010, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Het College heeft de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 1 februari 2007 omdat appellant niet binnen de gestelde termijn door het College opgevraagde stukken had verstrekt.

1.2. Op 12 maart 2007 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend. Omdat er twijfels bestonden over de woon- en leefsituatie van appellant heeft het team fraudebestrijding een onderzoek ingesteld. Appellant is uitgenodigd voor een gesprek en hem is gevraagd een aantal bewijsstukken mee te nemen, waaronder een kopie van het huurcontract en een bewijs van huurbetaling. Appellant is op 10 april 2007 zonder de gevraagde stukken verschenen. Aansluitend heeft een huisbezoek plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 april 2007. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 7 mei 2007 de aanvraag af te wijzen. De besluitvorming berust op de overwegingen dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft aangetoond woonachtig te zijn op het door hem opgegeven adres, dat appellant de gevraagde aanvullende bewijsstukken niet heeft overgelegd en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.3. Bij besluit van 12 juli 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 7 mei 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Voor een correcte toepassing van de WWB is het van essentieel belang dat er duidelijkheid bestaat omtrent de woon- en verblijfplaats van de belanghebbende. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 7 mei 2007 een belastend besluit is zodat de bewijslast voor de stelling dat appellant geen recht op bijstand heeft op het College zou rusten. Een beslissing op een aanvraag is een begunstigend besluit - ook in geval van een afwijzing - daar wordt verzocht om toekenning van een prestatie, terwijl bij een belastend besluit een eerder toegekende prestatie wordt ontnomen. In geval van een aanvraag ligt het dan ook op de weg van de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandsverlenend orgaan om deze inlichtingen in het kader van de onderzoeksplicht op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College op grond van de bevindingen van het onderzoek naar de woonsituatie van appellant, zoals neergelegd in het rapport van 10 april 2007, terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke woonadres. De Raad wijst er hierbij op dat appellant tijdens het huisbezoek de deur van zijn kamer pas vond na abusievelijk de deur van achtereenvolgens de keuken en de badkamer te hebben geopend, dat hij de lichtknop in de badkamer niet kon vinden, dat in zijn kamer slechts een kindermatrasje lag en dat de enige bezittingen van appellant in de woning de bezittingen waren die hij in een plastic tasje bij zich had. De Raad wijst er voorts op dat appellant geen andere bewijsstukken ten aanzien van zijn woonadres heeft overgelegd, zoals de door het College gevraagde kopie van het huurcontract en bewijs van huurbetalingen.

De stelling van appellant dat hij tijdens het huisbezoek last had van zijn suikerziekte en daardoor niet wist waar hij was of wat hij deed geeft de Raad geen aanleiding voor een andersluidend oordeel, reeds omdat dit standpunt met louter een afsprakenkaart van een ziekenhuis onvoldoende is onderbouwd.

4.3. Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat appellant onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt omtrent zijn woonadres. Daarmee is hij tekortgeschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. De Raad is voorts van oordeel dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate appellant ten tijde hier van belang verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB. Het College heeft derhalve de aanvraag om bijstand van 12 maart 2007 terecht afgewezen.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.N.A. Bootsma en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R.L.G. Boot.

JvS