Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2453

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
09-3959 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De loonsuppletie is niet meegenomen bij de berekening van het dagloon. Beroep op vertrouwensbeginsel faalt. De Raad is van oordeel dat (de) gestelde telefonisch verstrekte informatie, die overigens op geen enkele andere wijze door appellante is onderbouwd, niet concreet genoeg en derhalve ontoereikend is om te kunnen concluderen dat aan de in de rechtspraak van de Raad geformuleerde stringente eisen is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3959 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 juni 2009, 08/1173 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv)

Datum uitspraak: 15 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.G. Mostert, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau

Mr. G.G. Mostert, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mostert, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

2.1. Appellante was tot 1 juni 2005 werkzaam bij Achmea. Per 1 juni 2005 is zij in dienst getreden bij [werkgever] als incassomedewerker. Omdat haar salaris bij [werkgever] lager was dan bij Achmea, heeft zij van Achmea op grond van een Sociaal Plan vanaf 1 juni 2005 gedurende 18 maanden een suppletie op haar loon bij [werkgever] ontvangen ter hoogte van € 584,21 bruto per maand. Op 11 juli 2006 is appellante arbeidsongeschikt geworden.

2.2. Bij besluit van 6 maart 2008 heeft het Uwv appellante ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 8 juli 2008 een uitkering ingevolge de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) toegekend, berekend naar een dagloon van € 83,93. In dit dagloon, dat gebaseerd is op het loon dat appellante volgens opgave van haar werkgever daadwerkelijk heeft genoten in de referteperiode van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006, is niet opgenomen de in de referteperiode van Achmea ontvangen loonsuppletie.

2.3. Bij besluit van 11 juni 2008 heeft het Uwv het tegen het besluit van 6 maart 2008 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, alsnog een tijdens de referteperiode betaalde eindejaarsuitkering ter hoogte van € 98,70 bij de vaststelling van het dagloon betrokken, en het dagloon verhoogd tot € 84,34.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 juni 2008 ongegrond verklaard.

4. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad stelt vooreerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de loonsuppletie van Achmea op grond van de geldende regelgeving niet kan worden meegenomen bij de berekening van het dagloon. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het Uwv in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door de verstrekte loonsuppletie van Achmea niet in het dagloon op te nemen. Appellante betoogt dat sprake is geweest van inlichtingen van medewerkers van het (KlantenContactCentrum van het) Uwv dat de loonsuppletie van Achmea in een eventuele uitkeringssituatie opgenomen zou worden in het dagloon. Mede op grond van deze informatie heeft appellante besloten de lager bezoldigde functie bij [werkgever] te accepteren.

5.2. Zoals de Raad reeds vele malen tot uitdrukking heeft gebracht kan een beroep op het vertrouwensbeginsel in beginsel uitsluitend slagen, indien namens een bevoegd orgaan jegens de belanghebbende uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan die bij die belanghebbende gerechtvaardigde en gedragsbepalende verwachtingen hebben gewekt.

5.3. Ter zitting van de Raad heeft appellante toegelicht dat zij telefonisch de vraag heeft voorgelegd of de loonsuppletie in een uitkeringssituatie bij de vaststelling van het dagloon zou worden betrokken, welke vraag door medewerkers van het Uwv bevestigend zou zijn beantwoord. De Raad is van oordeel dat deze gestelde telefonisch verstrekte informatie, die overigens op geen enkele andere wijze door appellante is onderbouwd, niet concreet genoeg en derhalve ontoereikend is om te kunnen concluderen dat aan de in de rechtspraak van de Raad geformuleerde - en onder 5.2 weergegeven - stringente eisen is voldaan.

5.4. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en J.F. Bandringa en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

JvS