Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2398

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
09-6843 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad heeft (...) geen aanleiding gezien een ander oordeel te geven dan de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Naast hetgeen de rechtbank heeft overwogen, merkt de Raad op dat al eerder,(...) derhalve voor de datum in geding, werd aangegeven dat bij appellante psychosociale en culturele factoren een rol speelden. Gevoegd bij het feit dat appellante bij NOAGG zelf had aangegeven dat de klachten na de herziening waren verergerd en dat de behandelaars van i-Psy in hun in hoger beroep overgelegde informatie geen verderstrekkende uitspraak deden dan dat zij het sterke vermoeden hadden van de invloed van interculturele factoren op de datum in geding, heeft de Raad geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat in verband met die factoren zou moeten worden aangenomen dat de belastbaarheid van appellante op de datum in geding vanwege het Uwv is overschat, zoals door haar gemachtigde is bepleit. Ook overigens zijn in hoger beroep geen medische gegevens naar voren gekomen op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat het Uwv de belastbaarheid onjuist heeft vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6843 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 11 november 2009, 09/25 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. ing. T.P. Klaasen, advocaat (& psycholoog) te Helden, hoger beroep ingesteld. Daarbij is overgelegd een rapport van i-Psy, interculturele psychiatrie, afdeling Tilburg, van 26 januari 2010.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij een rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp van 19 februari 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2010.Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als inpakster toen zij zich in december 1997 ziek meldde met diverse lichamelijke en psychische klachten. In aansluiting op de wettelijke wachttijd zijn perioden met een volledige uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) afgewisseld met een intrekking van deze uitkering, laatstelijk met ingang van 12 januari 2006. Vervolgens heeft appellante van

27 februari 2006 tot en met 1 september 2006 een dienstverband gehad in het bedrijf van haar echtgenoot, is aldaar werkzaam geweest als schoonmaakster gedurende 27,6 uur per week en meldde zich met ingang van 20 april 2006 arbeidsongeschikt met meerdere klachten.

2.1.1. Naar aanleiding van deze ziekmelding is appellante op 14 januari 2008 verschenen op het spreekuur van de verzekeringsarts N. Hermans. Bij de medische voorgeschiedenis beschreef Hermans in een rapport van 15 januari 2008 een opname van appellante in het VieCurie ziekenhuis te Venlo van 28 juni 2005 tot en met 12 juli 2005. Toen was volgens informatie van de psychiater T. Hans van 12 september 2005 sprake van een chronische aanpassingsstoornis met psychosomatische fixatie, acculturatieproblematiek en verminderd aanwezig sociaal netwerk. Voorts vermeldde Hermans een operatie aan de rechterschouder in april 2006, het stellen van de diagnose fybromyalgie in 2006, in verband waarmee in november 2006 verwijzing naar een revalidatiearts plaatsvond, en behandeling voor gynaecologische en longklachten, verdenking op een hartritmestoornis en chronische sinusitis.

2.1.2. Bij het psychisch onderzoek van Hermans imponeerde de stemming neutraal. De lichamelijke klachten konden in het verleden niet goed worden geobjectiveerd en het onderzoek aan het bewegingsapparaat werd bemoeilijkt door veel pijnaangifte. Volgens Hermans speelde bij het onderzoek somatische fixatie en psychosociale problematiek als voorheen een rol en hij achtte aanvullende medische informatie van de behandelaars noodzakelijk.

2.1.3. De gevraagde informatie van de behandelaars (psychiater, gynaecoloog, huisarts en neuroloog) besprak Hermans in een nader rapport van 28 februari 2008. Daarbij gaf hij aan dat de psychiater T. Hans op 12 februari 2008 sprak van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis met reactieve depressieve symptomatologie met daarnaast een rol voor psychosociale en culturele factoren. Voorts wees Hans appellante, aldus Hermans, op het verband tussen somberheid, inactiviteit en pijnklachten en adviseerde Hans tot stapsgewijze verhoging van het activiteitenniveau. Gelet op de informatie van de behandelaars en zijn eigen bevindingen was er volgens Hermans medisch geen enkel bezwaar tegen fysiek en energetisch niet te zwaar werk. Hermans legde zijn conclusies vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) met enige beperkingen in de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren), alsmede beperkingen wat betreft de fysieke belastbaarheid.

2.1.4. De arbeidsdeskundige A. van den Broeke concludeerde in een rapport van

23 juni 2008 onder andere in verband met het ontvangen van ziekengeld door appellante in een groot deel van de periode van 18 mei 2006 tot 23 juni 2008 tot volledige arbeidsongeschiktheid in die periode en berekende voor de periode daarna na functieduiding een verlies aan verdienvermogen van 28,87%. Vervolgens kende het Uwv bij besluit van 8 juli 2008 aan appellante in verband met de datering van haar aanvraag op 7 december 2007 met ingang van 7 december 2006 een WAO-uitkering toe naar de klasse 80 tot 100% en herzag hij deze uitkering met ingang van 23 juni 2008 naar de klasse 25 tot 35%.

3. In de bezwaarprocedure, waarin het Uwv op 14 oktober 2008 schriftelijk de telefonische intrekking namens appellante van haar bezwaar tegen de vastgestelde re-integratievisie bevestigde, besprak de bezwaarverzekeringsarts Waasdorp in een rapport van 18 november 2008 onder verwijzing naar alle beschikbare medische informatie en het onderzoek van Hermans de bezwaargronden van appellante. Het gegeven dat appellante in behandeling is gekomen bij NOAGG, centrum voor transculturele geestelijke gezondheidszorg, wees volgens Waasdorp nog niet op een ernstige psychische stoornis. Na bespreking van ook de long-, pols- en incontinentieklachten van appellante, zag Waasdorp geen aanleiding de in de FML opgenomen beperkingen onjuist te achten. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 25 november 2008 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 juli 2008 ongegrond.

4.1. In de beroepsprocedure tegen het besluit van 25 november 2008 (hierna: het bestreden besluit) legde de gemachtigde van appellante informatie van i-Psy van 10 juni 2009 over, waarin na een spoedverwijzing van de huisarts in februari 2009 als diagnose werd gesteld een ernstige, eenmalige depressie zonder psychotische kenmerken. Na schorsing van het onderzoek ter zitting van de rechtbank op 12 juni 2009 diende deze gemachtigde nog een ongedateerde brief van i-Psy in, waarin het sterke vermoeden tot uitdrukking werd gebracht dat de huidige diagnose ook reeds op de datum in geding bestond en een brief van NOAGG van 30 juli 2009, waarin een vergelijkbare diagnose werd gehanteerd en de diagnose paniekstoornis. Volgens deze brief was appellante bij dit centrum in behandeling van 2 september 2008 tot en met maart 2009 en had zij aangegeven dat haar klachten waren verergerd door de druk van het Uwv om weer te gaan werken.

4.2. Het Uwv reageerde op de informatie van i-Psy en NOAGG met de rapporten van Waasdorp van 16 juni 2009 en 18 augustus 2009. De reactie van Waasdorp kwam er op neer dat deze informatie niet zag op de datum in geding en dat het vermoeden van i-Psy niet gemotiveerd was.

5.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond.

5.2. De rechtbank oordeelde wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit dat zij, gelet op alle voorhanden medische gegevens, geen aanknopingspunten had de conclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in twijfel te trekken. Voorts stelde de rechtbank zich ten aanzien van de in 4.1 vermelde informatie achter de conclusies van Waasdorp. Verder achtte de rechtbank de bij de schatting in aanmerking genomen functies in medisch opzicht passend.

6. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald en ter staving daarvan een brief overgelegd van de behandelaars van i-Psy van 26 januari 2010, die hun sterke vermoeden tot uitdrukking brachten dat interculturele factoren als sociale druk uit de omgeving, onderdrukking door en subassertiviteit ten opzichte van de schoonfamilie, taalproblemen en jarenlange heimwee naar en gemis van familie in Turkije ook op en na 23 juni 2008 van invloed waren.

7.1. De Raad stelt wat betreft de totstandkoming van de aangevallen uitspraak vast dat het Uwv op 10 september 2009 en appellante met begeleidende brief op 11 september 2009 toestemming hebben gegeven voor het achterwege laten van een (nadere) openbare zitting. De rechtbank heeft partijen daarvan over en weer bijna twee maanden voor het doen van haar uitspraak in kennis gesteld. De Raad stelt voorts vast dat gemachtigde van appellante aan de toestemming nog enkele opmerkingen heeft toegevoegd die echter in essentie in het verlengde liggen van hetgeen eerder namens haar was aangevoerd. De Raad ziet, gelet hierop, geen aanleiding voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak in strijd met zijn vaste jurisprudentie inzake artikel 8:64, vijfde lid, in verbinding met artikel 8:57 van de Awb tot stand is gekomen.

7.2. De Raad stelt voorts vast dat de gemachtigde van appellante ter zitting heeft verklaard dat het hoger beroep zich uitsluitend richt tegen de vaststelling van de medische beperkingen op de datum van de herziening van de WAO-uitkering. Gelet hierop zal de Raad zich bij zijn beoordeling beperken tot dit punt van geschil.

7.3. De Raad heeft in het hoger beroep van appellante geen aanleiding gezien een ander oordeel te geven dan de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Naast hetgeen de rechtbank heeft overwogen, merkt de Raad op dat al eerder, bijvoorbeeld door de in de overwegingen 2.1.1 en 2.1.3 vermelde psychiater Hans op

12 september 2005 en op 12 februari 2008, derhalve voor de datum in geding, werd aangegeven dat bij appellante psychosociale en culturele factoren een rol speelden. Gevoegd bij het feit dat appellante bij NOAGG zelf had aangegeven dat de klachten na de herziening waren verergerd en dat de behandelaars van i-Psy in hun in hoger beroep overgelegde informatie geen verderstrekkende uitspraak deden dan dat zij het sterke vermoeden hadden van de invloed van interculturele factoren op de datum in geding, heeft de Raad geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat in verband met die factoren zou moeten worden aangenomen dat de belastbaarheid van appellante op de datum in geding vanwege het Uwv is overschat, zoals door haar gemachtigde is bepleit. Ook overigens zijn in hoger beroep geen medische gegevens naar voren gekomen op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat het Uwv de belastbaarheid onjuist heeft vastgesteld.

7.4. Het overwogene in 7.3 leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) D.E.P.M. Bary.

IvR