Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2385

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
09-2697 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Uit de brief van de psychiater van 20 mei 2008 komt naar voren dat appellant eenmaal per twee maanden wordt gezien door de psychiater. De medicatie werd onveranderd gelaten. Uit de brief van 25 oktober 2006 komt naar voren dat er bij appellant sprake is van een posttraumatische stressstoornis, grotendeels in remissie, een stoornis in impulsbeheersing NAO, cocaïneafhankelijkheid, langdurige volledige remissie, en trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De Raad ziet in deze gegevens geen grond voor het oordeel dat het Uwv de psychische belastbaarheid van appellant, met inbegrip van de bijwerkingen van zijn medicijngebruik, heeft overschat. Onvoldoende grond voor een (voortgezette) urenbeperking. Geen twijfel aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2697 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 9 april 2009, 08/826 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam vader] advocaat te Terneuzen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2010. Appellant is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens het Uwv is verschenen mr. M.W.L. Clemens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als kabeltrekker/grondwerker. Voor deze werkzaamheden is hij op 31 januari 2000 uitgevallen wegens psychische en linkerarmklachten. Met ingang van 9 februari 2001 is appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 1 april 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 juni 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts dr. T.J.A. Boel. Deze arts is bij de hoorzitting aanwezig geweest en heeft dossierstudie verricht, waarbij hij kennis heeft genomen van de door appellant tijdens de bezwaarprocedure overgelegde medische gegevens. Na weging van de beschikbare medische gegevens heeft Boel in zijn rapport van 29 mei 2008 geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), behalve wat betreft het persoonlijk functioneren. Het medicijngebruik van appellant heeft invloed op zijn rijvaardigheid en alertheid waardoor appellant is aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico. Op 29 mei 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts de FML in die zin gewijzigd. Met inachtneming van de aangepaste FML heeft bezwaararbeidsdeskundige W. Heijmans de geselecteerde functies opnieuw beoordeeld. In zijn rapport van 8 augustus 2008 heeft Heijmans geconcludeerd dat de functie van monteur binnen de sbc-code 111180 en de functie van bestucker – de enige geselecteerde functie, behorende tot de sbc-code 267050 – dienen te vervallen. Binnen de sbc-code 267050 bleek evenwel een nieuwe functie geduid te kunnen worden, waarbij het verlies aan verdienvermogen uitkwam op 35,46%. Bij besluit van 11 augustus 2008 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 april 2008 gegrond verklaard, in die zin dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 1 juni 2008 is herzien naar de klasse 35 tot 45%.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – kort samengevat – overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het besluit op een voldoende medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant ongeschikt te achten. De bij die functies voorkomende signaleringen zijn naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd in het arbeidskundig rapport van 8 augustus 2008.

4. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de medische grondslag van het bestreden besluit en, zoals de gemachtigde van appellant ter zitting desgevraagd heeft aangegeven, tegen de geschiktheid van de geduide functies in medisch opzicht wat betreft het verminderde vermogen van appellant om met zijn linkerhand kleine dingen vast te houden en te werken met gereedschappen en het feit dat de in de bezwaarprocedure geduide functie montage-medewerker niet met appellant is besproken. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de hierop betrekking hebbende, in eerdere fasen van de procedure aangevoerde, gronden in essentie herhaald. Deze komen erop neer dat appellant van oordeel is dat het Uwv zijn belastbaarheid heeft overschat. Zijn medische situatie is niet verbeterd ten opzichte van de voorlaatste schatting, waarbij appellant nog volledig arbeidsongeschiktheid werd geacht.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. In het hoger beroep van appellant heeft de Raad geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens ziet de Raad geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat bezwaarverzekeringsarts Boel de brief van 20 mei 2008 van psychiater drs. B. Lepage bij zijn beoordeling heeft betrokken. In deze brief is verwezen naar de brief van Lepage van 25 oktober 2006. Uit de brief van 20 mei 2008 komt naar voren dat appellant eenmaal per twee maanden wordt gezien door de psychiater. De medicatie werd onveranderd gelaten. Uit de brief van 25 oktober 2006 komt naar voren dat er bij appellant sprake is van een posttraumatische stressstoornis, grotendeels in remissie, een stoornis in impulsbeheersing NAO, cocaïneafhankelijkheid, langdurige volledige remissie, en trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De Raad ziet in deze gegevens geen grond voor het oordeel dat het Uwv de psychische belastbaarheid van appellant, met inbegrip van de bijwerkingen van zijn medicijngebruik, heeft overschat. Tevens ziet de Raad in de thans voorliggende medische gegevens onvoldoende grond voor een (voortgezette) urenbeperking. Ook overigens ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant geen objectief medische gegevens heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij meer beperkt is wat betreft het gebruik van zijn linkerhand en -vingers.

5.3. Tevens is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende arbeidskundige grondslag berust. Het Uwv heeft de eerst in de bezwaarfase geduide functie van montage-medewerker aan de schatting ten grondslag kunnen leggen zonder nadere aanzegging aan appellant, aangezien deze functie behoort tot dezelfde functiebestandscode als de vervallen functie van bestucker. Tevens heeft de Raad, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, geen grond om te oordelen dat de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies van montage-medewerker (sbc-code 267050), soldeerder (sbc-code 111171) en productiemedewerker (sbc-code 111180) voor appellant in medisch opzicht niet geschikt te achten zijn. In het rapport van 8 augustus 2008 is voldoende gemotiveerd dat deze functies, ook wat betreft het hand- en vingergebruik, geschikt te achten zijn voor appellant. Daarbij tekent de Raad aan dat het in de functie productiemedewerker, zoals van de zijde van het Uwv ter zitting is toegelicht, in het bijzonder gaat om hantering van precisie instrumenten, waarvoor appellant op zich niet beperkt is.

6. Uit de overwegingen 5.2 en 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) D.E.P.M. Bary.

IvR