Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2376

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
09-6060 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Voldoende medische grondslag. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, overweegt de Raad nog het volgende. Wat er ook zij van het feit dat er tijdens het spreekuurcontact bij de verzekeringsarts op 7 mei 2008 geen tolk aanwezig was, de Raad heeft onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het standpunt van appellant dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest omdat appellant daarbij zijn standpunt onvoldoende heeft kunnen (laten) verwoorden. De Raad ziet geen aanleiding de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid voor onjuist te houden. Daarbij merkt de Raad op dat appellant zijn standpunt dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat, niet met nieuwe (medische) gegevens heeft onderbouwd. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6060 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 september 2009, 09/191 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Oosterveen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Oosterveen en O. Sarikaya als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 16 augustus 2006 is appellant met psychische klachten vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet uitgevallen. Daarvoor was hij werkzaam als vrachtwagenchauffeur. Bij besluit van 3 juli 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 13 augustus 2008 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellant per 13 augustus 2008 minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Daaraan lag het standpunt ten grondslag dat appellant met zijn medische beperkingen geschikt is voor werkzaamheden in passende functies. Het namens appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 9 december 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Bij de hoorzitting op 4 november 2008 heeft appellant zijn medische klachten en bezwaren met behulp van een tolk aan de bezwaarverzekeringsarts uiteen kunnen zetten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts met betrekking tot de functionele mogelijkheden van appellant. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Appellant heeft door zijn psychische problemen en afwezigheid van een tolk zijn verhaal bij de verzekeringsarts niet goed kunnen doen. Appellant is van mening dat zijn psychische beperkingen door de verzekeringsarts zijn onderschat en dat behandelaars onvoldoende zijn bevraagd.

3.2. Het Uwv heeft in het verweerschrift het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt gehandhaafd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot de medische grondslag kan de Raad zich vinden in de overwegingen van de rechtbank en het daarop gebaseerde oordeel en maakt dat tot de zijne.

4.2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, overweegt de Raad nog het volgende. Wat er ook zij van het feit dat er tijdens het spreekuurcontact bij de verzekeringsarts op 7 mei 2008 geen tolk aanwezig was, de Raad heeft onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het standpunt van appellant dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest omdat appellant daarbij zijn standpunt onvoldoende heeft kunnen (laten) verwoorden. Uit het rapport van 30 mei 2008 valt immers af te leiden dat de verzekeringsarts bij appellant kennelijk een uitgebreide anamnese heeft kunnen afnemen. Voorts spreekt appellant volgens het in 2008 opgemaakte zorgplan van de behandelend psychiater R. Soylu redelijk Nederlands. Deze vaststelling vindt grotendeels bevestiging in het arbeidskundig rapport van 2 juli 2008, waarin is opgetekend dat appellant matig tot redelijk Nederlands spreekt. Overigens is de Raad in een eerdere procedure van appellant, die heeft geleid tot ’s Raads uitspraak van 20 december 2002, in een soortgelijke situatie tot hetzelfde oordeel gekomen. Het standpunt van appellant dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat vormt een herhaling van hetgeen reeds tegenover de rechtbank is betoogd. De Raad stelt vast dat de verzekeringsarts op basis van eigen onderzoek en informatie van de behandelende sector in verband met de psychische klachten beperkingen heeft aangenomen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren. De Raad ziet geen aanleiding de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid voor onjuist te houden. Daarbij merkt de Raad op dat appellant zijn standpunt dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat, niet met nieuwe (medische) gegevens heeft onderbouwd.

4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1, 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) D.E.P.M. Bary.

RK