Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2342

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2010
Datum publicatie
26-07-2010
Zaaknummer
09-4998 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogs-slachtofferI. In onvoldoende mate is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat appellante is getroffen door onder dee wet vallend oorlogsgeweld. Gelet op de uitkomsten van het onderzoek van verweerster kan de Raad niet anders dan concluderen dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daarmee is zeker niet miskend dat appellante tijdens de oorlogsjaren en de Bersiap-periode bijzonder angstige en ingrijpende omstandigheden heeft ervaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4998 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Indonesië (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster).

Datum uitspraak: 8 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 28 juli 2009, kenmerk BZ 9136, JZ/F60/2009 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010. Appellante is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren in 1932 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft blijkens de gedingstukken in december 2008 een aanvraag ingediend om als burger-oorlogs-slachtoffer in de zin van de Wubo te worden erkend en uit dien hoofde in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering. Deze aanvraag heeft appellante gebaseerd op gezondheidsklachten die naar haar mening een gevolg zijn van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

1.2. Verweerster heeft de aanvraag van appellante afgewezen bij besluit van 9 maart 2009, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogs-slachtoffer zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, van de Wubo omdat in onvoldoende mate is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat appellante is getroffen door onder die wet vallend oorlogsgeweld.

3. De Raad staat in dit geding voor de vraag of, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en f, van de Wubo wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:

degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen

- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;

- ten gevolge van confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

3.2. De Raad stelt, overeenkomstig zijn vaste rechtspraak, voorop dat algemene oorlogsomstandigheden - waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan - niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a en b, of f, van de Wubo.

3.3. Appellante heeft gesteld dat zij arbeid heeft moeten verrichten voor de Japanse bezetters, dat haar vader is bedreigd door pemoeda’s en dat het huis in Purbalingga waar zij met haar ouders woonde tijdens de Bersiap-periode is beschoten. In beroep heeft appellante naar voren gebracht dat zij door haar oorlogservaringen blijvend geïnvalideerd is, geen huis meer bezit en niet over de middelen beschikt om haar kinderen een opleiding te laten volgen.

3.4. Bij het door verweerster ingestelde onderzoek, waarbij archieven en algemeen historische documenten zijn geraadpleegd, is geen bevestiging gevonden van directe, persoonlijke betrokkenheid van appellante bij beschietingen en/of de bedreiging van haar vader. Uit de beschrijving van het werk dat appellante voor de Japanners moest verrichten blijkt bovendien niet dat het ging om onder de Wubo vallende dwangarbeid.

3.5. Gelet op de uitkomsten van het onderzoek van verweerster kan de Raad niet anders dan concluderen dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daarmee is zeker niet miskend dat appellante tijdens de oorlogsjaren en de Bersiap-periode bijzonder angstige en ingrijpende omstandigheden heeft ervaren. De Wubo heeft echter een beperkte strekking hetgeen meebrengt dat erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo is gebonden aan de in die wet omschreven specifieke gebeurtenissen.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2010.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) I. Mos.

HD