Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2339

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
09-2047 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitsluitingsgrond. Artikel 43 aanhef en onder c Wet WIA. Geen recht op een WIA-uitkering. De Raad gaat uit van de juistheid van de door de arbeidsdeskundige beschreven belasting in het schoonmaakwerk. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante met haar beperkingen, die vastliggen in de FML van 8 december 2006, voor de schoonmaakwerkzaamheden waarin zij op 6 oktober 2004 aan de slag ging volledig ongeschikt was. Appellante had polsklachten van een zodanig ernst dat de voorbereidingen van een noodzakelijke operatie in de zin van een afspraak voor pre-operatief onderzoek al waren getroffen voor de eerste werkdag en een operatiedatum kort daarna werd bepaald. Voor beantwoording van de vraag of sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid van appellante bij aanvang van de verzekering is – anders dan appellante meent – niet van belang dat te verwachten was dat de operatie haar klachten zou doen afnemen. Het gaat immers om een beoordeling van de aard en de ernst van de beperkingen op 6 oktober 2004.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2047 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2009, 07/2897(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2010. Appellante en haar raadsvrouw zijn niet verschenen. Voor het Uwv verscheen mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv van

14 september 2007 ter uitvoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Met dat besluit heeft het Uwv zijn besluit gehandhaafd van 21 december 2006, waarbij is vastgesteld dat voor appellante geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering omdat zij bij aanvang van de verzekering al volledig arbeidsongeschikt was dan wel haar volledige arbeidsongeschiktheid binnen zes maanden na aanvang van de verzekering te verwachten was.

2. In beroep heeft het Uwv alleen het standpunt gehandhaafd dat sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat sprake is van voldoende indicaties om aan te nemen dat appellante volledig arbeidsongeschikt was toen haar verzekering een aanvang nam. De rechtbank heeft in de standpuntwijziging van het Uwv in beroep aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren, het besluit van 14 september 2007 te vernietigen en de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten.

3.1. Appellante is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen en heeft herhaald dat zij ondanks haar klachten in staat was de aanvaarde werkzaamheden te verrichten en dat van volledige arbeidsongeschiktheid pas sprake is geweest nadat zij was geopereerd.

3.2. Het Uwv heeft zich neergelegd bij het oordeel van de rechtbank.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Met de aanvaarding van werkzaamheden als schoonmaakster met ingang van

6 oktober 2004 werd appellante verzekerde in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Zij heeft gewerkt totdat zij op 29 november 2004 een operatie onderging aan haar linkerpols in verband met een carpaal tunnelsyndroom (CTS). Zij heeft haar werkzaamheden na de operatie niet kunnen hervatten. Na het eindigen van de voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst heeft appellante ziekengeld ontvangen ingevolge de Ziektewet.

4.2. In verband met het verzoek van appellante haar in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering is zij op 6 oktober 2006 en 29 november 2006 onderzocht door verzekeringsarts P. Eken. Deze verzekeringsarts heeft de door haar vastgestelde beperkingen van appellante aan het einde de wachttijd ingevolge de Wet WIA op 3 december 2006 neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 1 november 2006. Zij heeft vervolgens een inschatting gemaakt van de beperkingen van appellante bij aanvang van de WAO-verzekering op 6 oktober 2004 en die beperkingen neergelegd in een FML van 8 december 2006.

4.3. Voor het opnemen van forse handbeperkingen in beide FML’en heeft Eken van belang geacht dat appellante volgens eigen zeggen vanaf eind 2003 polsklachten had met tintelingen en pijn in beide handen, waarvoor zij regelmatig haar huisarts bezocht. In augustus 2004 is appellante verwezen naar neuroloog M.A. Struys, die – nog voordat appellante als schoonmaakster aan de slag ging – een CTS links vaststelde en appellante voor een operatie doorverwees naar een chirurg. In een in het kader van de beoordeling van het recht van appellante op ziekengeld verkregen rapportage van Struys van 26 juni 2006 is een dubbelzijdig CTS beschreven, rechts zeer ernstig en links licht en verbeterd na de operatie in 2004. De handbeperkingen bij aanvang van de verzekering en bij einde wachttijd verschillen in die zin dat in 2004 meer beperkingen worden aangenomen bij het gebruik van de linkerhand en in 2006 bij het gebruik van de rechterhand.

4.4. Bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar is aan de hand van de beschikbare medische gegevens van mening dat Eken de beperkingen die op 6 oktober 2004 bij appellante bestonden voor het verrichten van arbeid juist heeft ingeschat. Appellante heeft in beroep en hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die een ander licht werpen op de beperkingen van appellante bij aanvang van de WAO-verzekering. De Raad gaat uit van de juistheid van de FML van 8 december 2006, waarin de op 6 oktober 2004 bestaande beperkingen vastliggen.

4.5. Ingevolge het bepaalde in artikel 43, aanhef en onder c, van de Wet WIA in samenhang met het bepaalde in artikel 46, tweede lid, onder a, en het bepaalde in artikel 124 van die wet kan voor appellante geen recht op een WIA-uitkering zijn ontstaan als komt vast te staan dat zij volledig arbeidsongeschikt was op het tijdstip van aanvang van haar WAO-verzekering op 6 oktober 2004.

4.6. In zijn uitspraak van 28 januari 2009 (LJN BH2844) heeft de Raad neergelegd dat uit de parlementaire geschiedenis van artikel 43 van de Wet WIA moet worden afgeleid dat de wetgever voor de toepassing van de uitsluitingsgrond onder c van dat artikel inhoudelijk geen wijziging heeft beoogd ten opzichte van het bepaalde in artikel 30, eerste lid, van de WAO, waarin voor het Uwv een bevoegdheid is neergelegd om volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering buiten beschouwing te laten. De Raad is van oordeel dat de onder artikel 30, eerste lid, van de WAO gevormde jurisprudentie voor de toepassing van artikel 43, aanhef en onder c, en artikel 46 van de Wet WIA haar gelding heeft behouden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is voor het aannemen van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering nodig dat de omstandigheden van het geval blijk geven van voldoende en ondubbelzinnige indicaties voor het bestaan daarvan. Hierbij geldt dat het enkele feit dat voor of bij aanvang van de verzekering klachten of beperkingen bestaan niet toereikend is voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid. Ook volgens vaste rechtspraak wordt het begrip volledige arbeidsongeschiktheid niet uitsluitend bepaald door het medische oordeel. Indien een verzekerde ondanks ziekte of gebreken arbeid heeft verricht, moeten ook in aanmerking worden genomen factoren als de aard van de arbeid, de wijze waarop en het tijdvak gedurende welke die arbeid werd verricht.

4.7. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 21 december 2006 uiteengezet dat hij op basis van de FML van 8 december 2006 geen functies heeft kunnen selecteren die voor appellante geschikt zijn, zodat zij theoretisch gezien volledig arbeidsongeschikt was op 6 oktober 2004. Dat appellante met haar polsklachten gedurende een periode van ongeveer zeven weken als schoonmaakster heeft gewerkt, is naar zijn mening niet genoeg om aan te nemen dat zij voor die werkzaamheden wel geschikt was. De arbeidsdeskundige heeft beschreven dat de werkzaamheden van appellante bestonden uit stofzuigen, tafels afnemen, vaatwassers vullen en leegruimen en vuilnis afvoeren. Hij heeft vastgesteld dat die werkzaamheden een goede handvaardigheid vereisen, omdat sprake is van grijpen, knijpen, schroefbewegingen van de handen en repetitief hand- en vingergebruik. Omdat appellante in de FML van 8 december 2006 op al deze aspecten fors beperkt wordt geacht, kan de conclusie geen andere zijn dan dat zij voor de aanvaarde schoonmaakwerkzaamheden vanaf het begin volledig ongeschikt is geweest.

4.8. De Raad stelt vast dat appellante geen beroepsgronden heeft gericht tegen de beschrijving van het door haar verrichte schoonmaakwerk. De Raad gaat uit van de juistheid van de door de arbeidsdeskundige beschreven belasting in dat werk. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante met haar beperkingen, die vastliggen in de FML van 8 december 2006, voor de schoonmaakwerkzaamheden waarin zij op 6 oktober 2004 aan de slag ging volledig ongeschikt was. Het enkele feit dat appellante die werkzaamheden gedurende ongeveer zeven weken heeft weten vol te houden en niet is gebleken dat zij in de vervulling ervan is tekortgeschoten, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Ook kent de Raad betekenis toe aan het gegeven dat appellante polsklachten had van een zodanig ernst dat de voorbereidingen van een noodzakelijke operatie in de zin van een afspraak voor pre-operatief onderzoek al waren getroffen voor de eerste werkdag en een operatiedatum kort daarna werd bepaald. Voor beantwoording van de vraag of sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid van appellante bij aanvang van de verzekering is – anders dan appellante meent – niet van belang dat te verwachten was dat de operatie haar klachten zou doen afnemen. Het gaat immers om een beoordeling van de aard en de ernst van de beperkingen op 6 oktober 2004.

4.9. De voorgaande overwegingen leiden ertoe dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak, voor zover appellante die heeft aangevochten, bevestigen.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen grond.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en M. Greebe en J.J.T. van den Corput leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2010.

(get.) D.J. van der Vos

(get.) T.J. van der Torn.

RK