Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2337

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2010
Datum publicatie
26-07-2010
Zaaknummer
09-4809 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. De Raad stelt vast dat het onderhavige verzoek om herziening er uitsluitend op is gericht om opnieuw een discussie te voeren over de aannemelijkheid van verzoeksters directe betrokkenheid bij beschietingen tijdens de Bersiap-periode, nu niets anders wordt aangevoerd dan dat de Raad in zijn uitspraak ten onrechte onvoldoende waarde heeft gehecht aan de getuigenverklaring van verzoeksters oom en die uitspraak daarom onjuist is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4809 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 17 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[Verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),

van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 juli 2008, 07/3971, op het beroep van verzoekster tegen het besluit van verweerster van 31 mei 2007, kenmerk BZ 7659, JZ/R60/2007,

in het geding tussen:

verzoekster

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: PUR).

Datum uitspraak: 8 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekster is om herziening verzocht van bovenvermelde uitspraak van de Raad van 3 juli 2008.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, [naam oom]. De PUR heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

1.2. Bij de uitspraak waarvan thans herziening wordt gevraagd heeft de Raad in de door en namens verzoekster aangedragen argumenten geen grond kunnen vinden voor het oordeel dat verzoekster, die geboren is in 1946 in het voormalig Nederlands-Indië, in de Bersiap-periode heeft blootgestaan aan oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Daarbij heeft de Raad overwogen dat onvoldoende bevestiging is verkregen van de gestelde gebeurtenissen nu de verklaring van verzoeksters oom [naam oom] omtrent de beschietingen van het ouderlijk huis van verzoekster niet op eigen waarneming berust maar is gebaseerd op zijn eigen ervaringen en bekende historische feiten.

2. Namens verzoekster is ter onderbouwing van haar verzoek om herziening gesteld dat - kort gezegd - als nieuw feit in de zin van artikel 8:88 van de Awb moet gelden dat verzoekster vóór de uitspraak niet kon weten dat de getuigenverklaring van [naam oom], omdat hij geen directe ooggetuige was, niet als voldoende bewijs zou worden geaccepteerd voor verzoeksters betrokkenheid bij oorlogsgeweld.

3. De Raad ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of sprake is van door verzoekster aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 13 januari 2005, LJN AS3516, is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, eventueel op basis van nieuwe argumenten, een hernieuwde discussie over de zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betreffende uitspraak te openen. De Raad stelt vast dat het onderhavige verzoek om herziening er uitsluitend op is gericht om opnieuw een discussie te voeren over de aannemelijkheid van verzoeksters directe betrokkenheid bij beschietingen tijdens de Bersiap-periode, nu niets anders wordt aangevoerd dan dat de Raad in zijn uitspraak ten onrechte onvoldoende waarde heeft gehecht aan de getuigenverklaring van verzoeksters oom en die uitspraak daarom onjuist is.

3.2. Gezien het vorenstaande moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan de in artikel 8:88 van de Awb gegeven maatstaven voor herziening van een onherroepelijke uitspraak. Het verzoek om herziening wordt dan ook afgewezen.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2010.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) I. Mos.

HD