Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2333

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2010
Datum publicatie
26-07-2010
Zaaknummer
09-4251 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Appellant is weliswaar getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo, maar de lichamelijke klachten die hij thans ondervindt staan niet in verband met dat oorlogsgeweld.Op grond van de medische adviezen wordt het besluit naar behoren voorbereid en gemotiveerd geacht. Appellant heeft in bezwaar en beroep geen hemzelf betreffende medische gegevens overgelegd op grond waarvan twijfel zou kunnen ontstaan aan de juistheid van deze adviezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4251 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster).

Datum uitspraak: 8 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 6 april 2009, kenmerk BZ 8961, JZ/B70/2009 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010. Appellant is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren in 1925 in het voormalige Nederlands-Indië, is bij besluit van verweerster van 4 januari 2008 erkend als burgeroorlogsslachtoffer in verband met zijn internering in de gevangenis van Karanganjar en een kamp te Gombong gedurende de Bersiapperiode. Appellant heeft een aanvraag ingediend, ertoe strekkende dat aan hem onder meer een periodieke uitkering zou worden toegekend. De aanvraag heeft appellant gebaseerd op zijn long-, knie- en rugklachten. De longklachten stelt hij te hebben opgelopen gedurende de Japanse bezetting als gevolg van zijn gedwongen tewerkstelling in een stoffige vlasfabriek en zijn knie- en rugklachten als gevolg van ondervoeding tijdens de interneringen.

1.2. Bij besluit van 9 december 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, is de aanvraag van appellant afgewezen. Daartoe heeft verweerster overwogen dat appellant weliswaar getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo, maar dat de lichamelijke klachten die hij thans ondervindt niet in verband staan met dat oorlogsgeweld.

2.1. In beroep heeft appellant zich gekeerd tegen de weigering van verweerster hem een periodieke uitkering te verstrekken. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat de longklachten veroorzaakt zijn door zijn werkzaamheden in de vlasfabriek tijdens de Japanse bezetting een aantal artikelen overgelegd over de aandoening byssinosis, een longaandoening die wordt veroorzaakt door het inademen van onder meer vlasdeeltjes. Tevens heeft hij enkele artikelen overgelegd waaruit blijkt dat een slechte voedings-situatie in de jeugd op latere leeftijd tot allerlei ziekten en gebreken kan leiden.

2.2. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2.3. Appellant heeft kort vóór zitting om uitstel van de zitting verzocht omdat hij op die datum niet in de gelegenheid was deze persoonlijk bij te wonen.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. De Raad heeft het verzoek om uitstel niet gehonoreerd. Artikel 16, tweede lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2006 (hierna: Procesregeling) bepaalt dat een verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting moet worden gemotiveerd en zo spoedig mogelijk schriftelijk moet worden ingediend. Artikel 16, derde lid, van de Procesregeling bepaalt dat het verzoek slechts in uitzonderlijke omstandigheden wordt toegewezen. De Raad ziet in de onderbouwing van het verzoek van appellant geen uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Procesregeling. Bij zijn beslissing heeft de Raad tevens laten meewegen dat appellant niet is opgeroepen om ter zitting te verschijnen, dat het standpunt van appellant uit de gedingstukken genoegzaam naar voren komt en dat de Raad zich op grond van de voorhanden gedingstukken voldoende voorgelicht acht om tot een verantwoord oordeel te komen.

3.2.1. Blijkens de gedingstukken is het standpunt van verweerster, zoals neergelegd in het bestreden besluit, in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, de artsen A.J. Maas en R.J. Roelofs. Deze adviezen zijn tot stand gekomen op basis van een door de eerstgenoemde arts in november 2008 ingesteld medisch onderzoek alsmede op de door appellant zelf verstrekte informatie. Geconcludeerd is dat de longklachten van appellant berusten op een zogenaamd atopische constitutie en dat, voor zover omgevingsfactoren - zoals het werken in een vlasfabriek - hierop van invloed zijn geweest, het oorlogsomstandigheden tijdens de Japanse bezetting betreft die als zodanig niet onder de werking van de Wubo zijn te brengen.

3.2.2. Voorts blijkt, mede uit de door appellant zelf bij de aanvraag verstrekte gegevens, dat de knieklachten zijn begonnen in 1948, na een val bij het sporten en dat de rugklachten van appellant in de zestiger jaren voor het eerst zijn opgetreden. Dat deze klachten het gevolg zouden zijn van een verzwakte constitutie, veroorzaakt door ondervoeding tijdens de interneringen in de Bersiapperiode, is in het licht van de evengenoemde omstandigheden onvoldoende aannemelijk.

3.2.3. De Raad acht het bestreden besluit op grond van voornoemde medische adviezen naar behoren voorbereid en gemotiveerd. Appellant heeft in bezwaar en beroep geen hemzelf betreffende medische gegevens overgelegd op grond waarvan twijfel zou kunnen ontstaan aan de juistheid van deze adviezen.

4. Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2010.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) I. Mos.

HD