Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2329

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2010
Datum publicatie
26-07-2010
Zaaknummer
09-3921 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag gelijkstelling met vervolgde. Bij appellant is geen sprake van ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van zijn vader tengevolge van diens vervolging. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de medische adviezen deugdelijk voorbereid en toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3921 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 24 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 11 juni 2009, kenmerk BZ 48368 JZ/S70/2009, door verweerster ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010. Appellant is daar in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In januari 2009 heeft appellant, geboren in oktober 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering op grond van de Wuv.

1.2. Bij besluit van 18 februari 2009, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen. Daartoe is overwogen dat geen aanleiding bestaat om appellant, die zelf geen vervolging heeft ondergaan, met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv met de vervolgde gelijk te stellen nu bij appellant geen sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van zijn vader tengevolge van diens vervolging.

1.3. In bezwaar en beroep heeft appellant erop gewezen dat hij in het voormalige Nederlands-Indië tijdens de oorlogsjaren en de daarop volgende Bersiap-periode bij voortduring ellendige en bedreigende omstandigheden heeft moeten meemaken en dat voor de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers (Wubo) ook al is erkend dat hij aan oorlogsgeweld heeft blootgestaan.

2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.

2.1. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wuv is verweerster, onder meer, bevoegd om met een vervolgde gelijk te stellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat de Raad dient na te gaan of gezegd moet worden dat verweerster niet in redelijkheid kon beslissen van haar hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken, dan wel of het bestreden besluit overigens in strijd komt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel.

2.2. Verweerster heeft - naar uit de gedingstukken blijkt - het omkomen van de vader van appellant tengevolge van zijn vervolging door de Japanse bezetter van het voormalige Nederlands-Indië op zichzelf aangemerkt als omstandigheid welke overeenkomst vertoont met vervolging. Niettemin heeft verweerster geweigerd om van de haar in artikel 3, tweede lid, van de Wuv gegeven bevoegdheid gebruik te maken, omdat naar haar oordeel bij appellant geen sprake is van enig(e), met die omstandigheid redelijkerwijs in verband te brengen ziekte of medisch gebrek. Zoals de Raad al vaak in soortgelijke gedingen heeft uitgesproken, kan verweerster bij de beoordeling van op artikel 3, tweede lid, van de Wuv gebaseerde aanspraken in redelijkheid deze norm hanteren.

2.4. Verweerster heeft haar medisch standpunt gebaseerd op adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen berusten op de resultaten van een door de arts G. Kho in december 2008 in het kader van een door appellant ingediende aanvraag op grond van de Wubo uitgevoerd onderzoek van appellant en op van de appellant behandelend artsen verkregen informatie. In deze adviezen is geconcludeerd dat er bij appellant weliswaar sprake is van enige psychische klachten, gediagnosticeerd als een incompleet PTSS, maar dat die klachten niet gerelateerd zijn aan het omkomen en gemis van zijn vader.

2.5. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en toereikend gemotiveerd. Noch in de voorhanden medische gegevens noch anderszins heeft de Raad enige grondslag kunnen vinden om te twijfelen aan de juistheid van het aan de hand van genoemde adviezen tot stand gekomen standpunt van verweerster. De Raad heeft ook niet kunnen vaststellen dat de door verweerster gevolgde medische adviezen wat de waardering van de psychische klachten van appellant betreft berusten op onjuiste gegevens en/of een onjuiste interpretatie van die gegevens.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden, zodat ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2010.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) I. Mos.

HD