Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2328

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
08-5625 WAO + 09-2587 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Wat betreft de vaststelling vanwege het Uwv van de medische situatie waarin appellant zich op 20 en 22 februari 2007 bevond en de functionele mogelijkheden die hem op dat moment nog restten, schaart de Raad zich geheel achter het oordeel van de rechtbank en maakt de Raad haar overwegingen tot de zijne. Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Bij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies tekent de Raad nog aan dat niet is kunnen blijken dat de belasting in die functies appellants in de FML vastgelegde belastbaarheid overschrijdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5625 WAO + 09/2587 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2008, 08/360 (hierna: aangevallen uitspraak 1), en 16 april 2009, 08/3034 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, heeft namens appellant hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2010. Voor appellant zijn verschenen mr. De Jonge en E.A. Sternau, maatschappelijk werkende, en voor het Uwv W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft zich 20 februari 2000 met rug- en psychische klachten ziek gemeld voor zijn voltijdse werk als vrachtwagenchauffeur. Aan hem is per 18 februari 2001 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Bij uitspraak van 3 februari 2003 - waartegen geen hoger beroep is ingesteld - heeft de rechtbank Rotterdam ongegrond verklaard zijn beroep tegen het besluit waarbij zijn bezwaren tegen evenvermeld primair besluit ongegrond zijn verklaard. De rechtbank heeft zich toen bij haar oordeelsvorming verenigd met de conclusie van de door haar als deskundige ingeschakelde psychiater dr. A.P.K. van Eekeren dat er bij appellant op

18 februari 2001 sprake was van beperkingen die samenhangen met een stemmingsafwijking die voldoet aan de criteria van een dysthyme stoornis.

Bij besluit van 17 oktober 2002 is - na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek - de WAO-uitkering gehandhaafd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Tegen dat besluit is geen bezwaar gemaakt.

2. Bij besluit van 19 december 2006 is - onder toepassing van het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (aSb) - de WAO-uitkering per 20 februari 2007 ingetrokken onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen van 15 tot 25% naar minder dan 15%. Bij besluit van 2 januari 2008 is het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar gegrond verklaard, is dat besluit herroepen, is de WAO-uitkering per 20 februari 2007 gehandhaafd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% en is beslist over door appellant in bezwaar gemaakte kosten.

3.1. Bij aangevallen uitspraak 1 is appellants beroep tegen het besluit op bezwaar van 2 januari 2008 ongegrond verklaard onder overweging van - samengevat - het volgende.

3.2. Het gebrek dat het primaire medische onderzoek is verricht door een niet geregistreerde arts, is in de bezwaarfase hersteld door de wel geregistreerde bezwaarverzekeringsarts die het oordeel van de primaire verzekeringsarts uitgebreid gemotiveerd heeft bevestigd, zich daarbij baserend op het medisch onderzoek in de primaire fase alsook op zijn eigen bevindingen aan de hand van de hoorzitting en de zich in het dossier bevindende plus in de bezwaarfase overgelegde stukken. Voor appellants stelling dat hij op de datum in geding niet beschikte over duurzaam benutbare mogelijkheden heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden; de verzekeringsarts is dan ook terecht tot het opstellen van een FML overgegaan. Tussen partijen is niet in geschil dat er bij appellant sprake is van een dysthyme stoornis; met de daaruit voortvloeiende beperkingen is in de FML voldoende rekening gehouden. Ook met appellants fysieke klachten is voldoende rekening gehouden. Bij eerdere medische beoordelingen en bij het onderzoek door psychiater Van Eekeren zijn de vermoeidheids- en daarmee samenhangende hoofdpijnklachten aan bod gekomen. Van Eekeren zag daarin toentertijd geen reden voor het aannemen van verdergaande beperkingen of een urenbeperking. Uit het dossier blijkt niet van verergering van die klachten. Het oordeel van de primaire verzekeringsarts dat er geen sprake is (geweest) van grote schommelingen in klachten en belastbaarheid vindt bevestiging in de stukken. Geen bevestiging in de stukken vindt appellants stelling dat hij fysieke klachten en beperkingen heeft als gevolg van bijwerkingen van medicatie; ter zitting heeft appellant verklaard dat hij vanaf 10 januari 2007 geen medicatie (meer) gebruikt. Het onderzoek vanwege het Uwv is zorgvuldig geweest. Gelet op de vaste rechtspraak van de Raad (met name zijn uitspraak van 13 juli 2005, LJN AT9828) worden de rapporten van (het Instituut) Psychosofia niet aangemerkt als afkomstig van een (medisch) deskundige. Die rapporten wijzen niet op onjuistheden of inconsistenties in de medische beoordeling van de (bezwaar)verzekeringsarts. Niet is gebleken dat de belasting in de geduide functies appellants belastbaarheid overschrijdt; de signaleringen (ten teken van mogelijke overschrijding van de belastbaarheid) zijn afdoende toegelicht.

4. In hoger beroep (bij de Raad geregistreerd onder nummer 08/5625 WAO) heeft appellant - samengevat - aangevoerd dat hij op 20 februari 2007 fysiek en psychisch meer was beperkt dan door het Uwv is vastgesteld en ook door de rechtbank is aangenomen, zozeer meer zelfs dat hij per die datum reeds op medische gronden als volledig arbeidsongeschikt was aan te merken. In dat verband heeft appellant met name gewezen op de door hem in bezwaar respectievelijk beroep overgelegde verklaringen van zijn huisarts van 31 januari 2007 en 9 februari 2008, waarin deze als zijn op met appellant naar schatting gevoerde 60 gesprekken van elk 15 minuten gedurende de afgelopen vijf jaren gebaseerde conclusie heeft neergelegd dat appellant als lijdend aan dysthymie, afgewisseld met matige tot ernstige depressies, en het chronisch vermoeidheidsssyndroom (CVS) volledig arbeidsongeschikt is. Voorts heeft appellant ingebracht nadere rapporten van Psychosofia van 30 oktober 2008 en 28 juli 2009.

5. Bij besluit van 2 januari 2008 is - onder toepassing van het oude Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (oSb) op degenen die op 1 juli 2004 tussen 45 en 50 jaar oud waren - de WAO-uitkering per 22 februari 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van 23 juli 2008 is appellants bezwaar tegen het besluit van 2 januari 2008 ongegrond verklaard.

6.1. Bij aangevallen uitspraak 2 is appellants beroep tegen het besluit op bezwaar van 23 juli 2008 ongegrond verklaard onder overweging van - samengevat - het volgende.

6.2. Wat de medische situatie op de datum in dit geval in geding (22 februari 2007) betreft ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat appellants medische beperkingen in de twee dagen na 20 februari 2007 - de datum in geding in aangevallen uitspraak 1- zodanig zijn toegenomen dat appellants functionele mogelijkheden niet correct zijn vastgesteld, de door appellant nader ingebrachte stukken ten spijt. Appellants standpunt (en dat van zijn huisarts) dat de besluitvorming door het Uwv heeft geleid tot opname van appellant op 5 februari 2008 op de gesloten afdeling van het EMC (Erasmus Medisch Centrum) kan geen doel treffen, daar de opnamedatum te ver verwijderd is van de datum in geding.

7. In hoger beroep bij de Raad (geregistreerd onder nummer 09/2587 WAO) heeft appellant - naast in essentie dezelfde grieven als tegen aangevallen uitspraak 1 - aangevoerd dat de rechtbank bij het vormen van haar oordeel over zijn standpunt (en dat van zijn huisarts) met betrekking tot de opname op 5 februari 2008 heeft verzuimd er rekening mee te houden dat bij besluit van 2 januari 2008 met terugwerkende kracht tot (en met) 22 februari 2007 ongewijzigd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% (lees: 25 tot 35%) had gesteld. Nadat appellant kennis had genomen van het besluit van 2 januari 2008 is hij op 5 februari 2008 in verband met suïcidaliteit opgenomen op de gesloten afdeling van het EMC. Tot die opname heeft, aldus de huisarts, dat besluit geleid. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellant voorts nog niet eerder ingebrachte rapporten van Psychosofia van 11 februari 2008 en 13 maart 2008 overgelegd.

8.1. Nader heeft het Uwv per 4 maart 2008 (in verband met appellants opname op 5 februari 2008 op de gesloten afdeling van het EMC) de WAO-uitkering verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Bij besluit van 10 oktober 2008 is de WAO-uitkering per 11 december 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Echter, nadat op 15 juni 2009 de FML op aanwijzing van de bezwaarverzekeringsarts (na onderzoek van appellant op 4 juni 2009) was aangescherpt met een beperking van werktijden tot en met gemiddeld ongeveer vier uren per dag en 20 uren per week en op 15 juli 2009 de bezwaararbeidsdeskundige op basis daarvan was gekomen tot de conclusie dat niet voldoende voor appellant geschikte functies kunnen worden geduid, is bij besluit op bezwaar van 15 juli 2009 de WAO-uitkering per 11 december 2008 gehandhaafd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

8.2. In de thans bij de Raad aanhangige procedures gaat het om de periode van 20 februari 2007 tot 4 maart 2008 gedurende welke de mate van arbeidsongeschiktheid waarnaar aan appellant een WAO-uitkering is toegekend minder dan 80% of meer heeft bedragen (per 20 februari 2007 15 tot 25% en per 22 februari 2007 25 tot 35%). Ter zitting van de Raad is gebleken dat, aangezien appellant gedurende die periode(s) een bijstandsuitkering heeft gehad, ingeval van verhoging van de WAO-uitkering verrekening zal plaatsvinden. Het belang bij deze procedures is, aldus appellant, evenwel gelegen in erkenning van zijn ziekte.

9.1. De Raad kan zich geheel vinden in het in de beide aangevallen uitspraken neergelegde oordeel van de rechtbank en ziet in hetgeen appellant in hoger beroep tegen dat oordeel heeft aangevoerd geen aanleiding om over te gaan tot vernietiging van de aangevallen uitspraken. Daarbij heeft de Raad het volgende in aanmerking genomen.

9.2. Tussen de medische situatie waarin appellant zich op 20 februari 2007 en de medische situatie waarin appellant zich op 22 februari 2007 bevond, ziet de Raad evenmin als de rechtbank enig verschil. Uit de stukken is niet af te leiden dat zich in de tussenliggende periode van slechts twee dagen bij appellant (relevante) medische veranderingen hebben voorgedaan. De Raad vermag voorts niet in te zien dat de omstandigheid dat appellant op 5 februari 2008 is opgenomen op de gesloten afdeling van het EMC van enige invloed kan zijn op de medische situatie waarin appellant zich op 20 dan wel 22 februari 2007 bevond. Dat geldt evenzeer voor het feit dat bij besluit van 2 januari 2008 met terugwerkende kracht tot en met 22 februari 2007 de WAO-uitkering is verhoogd van een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Voorstelbaar is dat ontwikkelingen in de medische situatie van een betrokkene die zich (doorgaans kort) na de datum in geding hebben voorgedaan - achteraf bezien - reeds op de datum in geding waren te voorzien, zodat daarmee bij de vaststelling van de functionele mogelijkheden rekening had kunnen en moeten worden gehouden, maar in dit geval, met een tijdsverloop van ruim 10 maanden, is daarvan niet kunnen blijken. De opname op 5 februari 2008 is, naar appellant heeft verklaard, toe te schrijven aan het besluit van 2 januari 2008 en was op 20 dan wel 22 februari 2007 niet te voorzien. De (overigens vóór die opname) toegepaste terugwerkende kracht maakt dat niet anders. Het verschil in mate van arbeidsongeschiktheid tussen 20 februari 2007 en 22 februari 2007 is te verklaren door de herbeoordeling met toepassing van het aSb per de als eerste genoemde en het oSb per de als tweede genoemde datum. Het maatmaninkomen was aan elkaar gelijk (€12,28), maar het mediane loon op grond van andere functies bedroeg

€ 10,35 (met als uitkomst 15,7%) respectievelijk € 8,89 (met als uitkomst 27,6%).

9.3. Wat betreft de vaststelling vanwege het Uwv van de medische situatie waarin appellant zich op 20 en 22 februari 2007 bevond en de functionele mogelijkheden die hem op dat moment nog restten, schaart de Raad zich geheel achter het oordeel van de rechtbank en maakt de Raad haar overwegingen tot de zijne.

In navolging van de door de rechtbank in een eerdere procedure als deskundige ingeschakelde psychiater Van Eekeren (zie hiervoor onder 1) is niet alleen vanwege het Uwv maar ook door appellant en de huisarts uitgegaan van een dysthyme stoornis. Riagg-psychiater N. Kmetic heeft op 8 juli 2005 evenzeer gerapporteerd dat appellant lijdt aan een dysthyme stoornis. Daarnaast heeft de huisarts per 21 november 2005 melding gemaakt van een bij appellant bestaand CVS, maar van (onderbouwde) vaststelling daarvan door een medisch specialist is de Raad niet kunnen blijken. Daarbij tekent de Raad aan dat in het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling het vaststellen van medische beperkingen niet slechts geschiedt op basis van de diagnose. Partijen verschillen van mening over de mate waarin appellant op 20 februari 2007 medische beperkingen ondervond. Met hetgeen appellant heeft aangevoerd is hij er niet in geslaagd de Raad ervan te overtuigen dat hij in dat opzicht meer en/of ernstiger is beperkt dan vanwege het Uwv en ook door de rechtbank is aangenomen. Het verzekeringsgeneeskundige onderzoek is mede gebaseerd op uit de behandelend sector verkregen gegevens en in ieder geval in de bezwaarfase zorgvuldig geweest terwijl de verzekeringsgeneeskundige rapporten consistent, de conclusies deugdelijk onderbouwd zijn en niet is aangetoond dat die conclusies onjuist zijn. In dit verband kan er niet geheel aan worden voorbijgezien dat appellant sedert het moment waarop in rechte is komen vast te staan dat hij per 18 februari 2001 en onveranderd per 17 oktober 2002 niet meer dan 15 tot 25% arbeidsongeschikt is, zich niet eigener beweging tot het Uwv heeft gewend met een melding dat zijn fysieke en/of psychische klachten zijn toegenomen, maar eerst in de loop van de thans aanhangige procedure(s), met name in de bezwaarfase, heeft gesteld dat hij aanmerkelijk meer en ernstiger medische beperkingen heeft dan tot dan toe was vastgesteld. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat bij het verzekeringsgeneeskundige onderzoek vanwege het Uwv ten onrechte niet de op psychische klachten en CVS betrekking hebbende protocollen niet zijn toegepast. Dat standpunt kan niet worden gedeeld, reeds omdat die protocollen toen en evenmin ten tijde thans in geding nog niet waren ingevoerd. Bij de aan de schatting per 20 februari 2007 en per 22 februari 2007 ten grondslag gelegde functies tekent de Raad nog aan dat niet is kunnen blijken dat de belasting in die functies appellants in de FML vastgelegde belastbaarheid overschrijdt. De signaleringen (ten teken van mogelijke overschrijding van de belastbaarheid) zijn afdoende besproken en wat de in de FML voorkomende rubriek Persoonlijk functioneren betreft komt in geen van die functies een signalering voor. Niet is dan ook staande te houden dat die functies door appellant niet kunnen worden vervuld.

10. Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep en dienen dan ook de aangevallen uitspraken te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

RH