Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2318

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2010
Datum publicatie
26-07-2010
Zaaknummer
09-1016 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is, gelet op (de) verklaringen in onderling verband bezien, van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de zoon van appellant (ook) in de periode van 21 januari 2005 tot september 2005 bij appellant in Z. heeft gewoond. Dat betekent dat de (verhoogde) buitenlandtoelage in die periode niet onverschuldigd aan appellant is betaald en dat de commandant dus niet bevoegd was € 4.656,37 aan (verhoogde) buitenlandtoelage te verrekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1016 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Duitsland), (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 januari 2009, 08/6094 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant Landstrijdkrachten (hierna: commandant)

Datum uitspraak: 8 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2010. Appellant is verschenen. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. Rentema-Westerhof, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant woonde vanwege zijn plaatsing als beroepsmilitair in Duitsland op de legerplaats Seedorf, tot september 2005 in [Z.]. De commandant heeft appellant in die periode aangemerkt als een gehuwd defensieambtenaar in de zin van het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel (VBD) en hem de daarmee verband houdende buitenlandtoelage als bedoeld in artikel 7 van het VBD en de verhoogde buitenlandtoelage als bedoeld in artikel 9 van de VBD (hierna: (verhoogde) buitenlandtoelage) vanwege zijn in Nederland wonende en studerende dochter toegekend. Eind 2004 heeft appellant de personeelsdienst van de legerplaats Seedorf van zijn echtscheiding op de hoogte gesteld. Appellant is toen meegedeeld dat hij aanspraak op de (verhoogde) buitenlandtoelage behoudt, zolang zijn zoon bij hem in Duitsland woont.

1.2. Per 21 januari 2005 heeft de gemeente [Z.] appellants zoon ambtshalve uitgeschreven, omdat hij niet had gereageerd op een aantal brieven van de gemeente, bij een controlebezoek door de gemeente niet thuis was aangetroffen en de eigenaar van het huis geen duidelijkheid kon verschaffen omtrent zijn woonsituatie.

1.3. Toen appellant in juni 2006 ontdekte dat hij ten onrechte nog steeds in het personeelsinformatiesysteem van het ministerie van Defensie als gehuwd werd vermeld, heeft hij de personeelsdienst daarvan op de hoogte gesteld. Daarop heeft de commandant een bedrag van € 4.656,37 aan (verhoogde) buitenlandtoelage, die in de periode van 21 januari 2005 tot september 2005 aan appellant is betaald, vanaf juni 2006 met de bezoldiging van appellant verrekend.

1.4. Bij besluit van 26 januari 2007 heeft de commandant appellants verzoek om deze verrekening ongedaan te maken, afgewezen. Dit besluit is, na bezwaar, bij het bestreden besluit van 20 mei 2008 gehandhaafd. Volgens de commandant had appellant namelijk redelijkerwijs moeten dan wel kunnen weten dat aan hem over de periode van 21 januari 2005 tot september 2005 onverschuldigd die (verhoogde) buitenlandtoelage is betaald, aangezien zijn zoon in die periode niet meer bij hem in [Z.] woonachtig was. Daarbij heeft de commandant doorslaggevende betekenis toegekend aan de uitschrijving van de zoon bij de gemeente [Z.].

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Artikel 7, eerste lid, van het VBD, zoals dat ten tijde hier van belang luidde, bepaalt dat de gehuwde defensieambtenaar met aanspraak op salaris, die is geplaatst in een gebied buiten Nederland en wiens gezin aldaar metterwoon is gevestigd, aanspraak heeft op een nader omschreven toelagebuitenland.

Artikel 9, eerste lid, in verbinding met het derde lid, van het VBD bepaalt - voor zover hier van belang - dat de gehuwde ambtenaar die is geplaatst in een gebied buiten Nederland en wiens gezin metterwoon aldaar is gevestigd aanspraak heeft op een verhoging van zijn toelagebuitenland voor ieder kind dat tot zijn gezin behoort, inclusief het kind dat voor het volgen van onderwijs metterwoon in Nederland verblijft.

Artikel 1, aanhef en onder f, onder 2, onder a, van het VBD, zoals dat ten tijde hier van belang luidde, bepaalt dat onder een gehuwde defensie-ambtenaar wordt verstaan de defensie-ambtenaar die naar Nederlands recht niet meer als gehuwd wordt beschouwd en die met één of meer van zijn andere gezinsleden samenwoont en een eigen huishouding voert in een woning, of een gedeelte daarvan, waarover het gezin de vrije en zelfstandige beschikking heeft.

3.2. Het geschil spitst zich ook in hoger beroep toe op de vraag of de commandant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan appellant over de periode van 21 januari 2005 tot september 2005 de (verhoogde) buitenlandtoelage onverschuldigd is betaald, omdat de zoon van appellant in die periode niet meer bij appellant woonachtig was.

3.3. Vaststaat dat de zoon van appellant vanaf 21 januari 2005 bij de gemeente [Z.] ambtshalve is uitgeschreven. Daaraan kan naar het oordeel van de Raad het vermoeden worden ontleend dat de zoon vanaf dat moment niet meer bij appellant woonachtig was. Dat betekent evenwel niet dat zonder meer van de juistheid van dit vermoeden moet worden uitgegaan. Dit vermoeden kan namelijk worden ontkracht door tegenbewijs, waaruit de werkelijke woonsituatie van de zoon van appellant ten tijde in geding blijkt.

3.3.1. In beroep heeft appellant onder andere verklaringen overgelegd van zijn ex-vrouw en zoon, waaruit blijkt dat zijn zoon ten tijde hier in geding bij appellant in [Z.] woonde. De rechtbank heeft deze korte, algemeen luidende verklaringen echter ontoereikend geacht om samenwoning van appellant en zoon aangetoond te achten. Bij brief van 10 mei 2010 heeft appellant (meer) gedetailleerde verklaringen overgelegd van zijn partner en buren, die de verklaringen van appellants ex-vrouw en zoon omtrent de woonsituatie van zijn zoon ten tijde in geding ondersteunen. Ter zitting is namens de commandant gewezen op enige onduidelijkheid in die verklaringen, maar daarin ziet de Raad geen aanleiding om deze verklaringen buiten beschouwing te laten, nu hij geen reden ziet aan de geloofwaardigheid van de verklaringen te twijfelen. Weliswaar hebben deze buren eerst vier jaar na de periode hier in geding over de toenmalige woonsituatie van appellants zoon verklaard, maar dat betekent naar het oordeel van de Raad niet dat daarom aan de juistheid van deze verklaringen moet worden getwijfeld. Appellant heeft namelijk ter zitting uiteen gezet dat (het einde van) de periode in geding voor het defensiepersoneel van Seedorf, waartoe de buren behoorden markant was, waardoor voldoende aannemelijk is dat zij zich deze periode nog goed konden herinneren. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om het verzoek van de commandant om hem alsnog in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen naar hetgeen is verklaard door de partner en buren, in te willigen.

3.4. De Raad is, gelet op deze verklaringen in onderling verband bezien, van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de zoon van appellant (ook) in de periode van 21 januari 2005 tot september 2005 bij appellant in [Z.] heeft gewoond. Dat betekent dat de (verhoogde) buitenlandtoelage in die periode niet onverschuldigd aan appellant is betaald en dat de commandant dus niet bevoegd was € 4.656,37 aan (verhoogde) buitenlandtoelage te verrekenen.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Aangezien het gebrek dat aan het bestreden besluit kleeft eveneens kleeft aan het primaire besluit van 26 januari 2007 en dit gebrek niet bij een nieuwe beslissing op bezwaar hersteld kan worden, zal de Raad dat besluit herroepen.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het primaire besluit;

Bepaalt dat de commandant appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 216,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en A.J. Schaap en A.G. Oosthoek als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) I. Mos.

HD