Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2306

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
26-07-2010
Zaaknummer
08-7026 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berekening tegemoetkoming in de dubbele woonlasten. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is in het VKBM (Verplaatsingskostenbesluit militairen) en de VKRM (Verplaatsingskostenregeling militairen) aan de commandant niet een zekere beoordelingsvrijheid gelaten. Het gaat hier om de uitleg van geschreven rechtsregels en een eerste aanknopingspunt daarvoor geeft de tekst van die regels. De Raad ziet in de tekst van artikel 14a van de VKRM geen enkel aanknopingspunt voor de opvatting van de commandant. Nu een toelichting op die bepaling ontbreekt, kan de Raad de commandant evenmin volgen in zijn opvatting dat de bedoeling van een berekening naar evenredigheid in dat artikel gelezen moet worden. De Raad ziet in de door de commandant genoemde, uitdrukkelijk wel geregelde gevallen juist een aanwijzing dat de door de commandant gegeven uitleg niet opgaat voor de met ingang van 1 oktober 2007 in werking getreden bepaling van artikel 14a van de VKRM. Na de uitdrukkelijke regeling van een berekeningswijze naar evenredigheid in artikel 13 van de VKRM had, als het de bedoeling van de regelgever was geweest die berekeningswijze ook te hanteren bij de vaststelling van de tegemoetkoming in dubbele woonlasten, een vergelijkbare formulering in artikel 14a van de VKRM in de rede gelegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7026 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 november 2008, 08/3683 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant Landstrijdkrachten (hierna: commandant)

Datum uitspraak: 1 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2010. Namens appellant is verschenen mr. W. de Klein, verbonden aan de AFMP/FNV. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was als sergeant behorende bij het beroepspersoneel voor bepaalde tijd (hierna: BBT) werkzaam in Duitsland. Hij woonde daar in een huurwoning. Gelet op de expiratie van zijn BBT-aanstelling heeft hij op 28 september 2007 een woning gekocht in Nederland. De verhuizing naar die woning vond plaats op 19 oktober 2007.

1.2. Een aanvraag om een tegemoetkoming in de dubbele woonlasten over de periode van 28 september tot 19 oktober 2007 heeft geresulteerd in de toekenning van een bedrag van € 415,88. Omdat de dubbele woonlasten zich hadden voorgedaan over een gedeelte van de maand, had de commandant het door hem in aanmerking te nemen bedrag van “maximaal € 600,- per maand” evenredig verminderd. Na bezwaar, waarbij de toe te kennen tegemoetkoming door appellant was becijferd op € 583,94, is het toegekende bedrag gehandhaafd bij besluit van 27 februari 2008 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat door de regelgever aan de commandant een zekere beoordelingsvrijheid is gelaten en dat de commandant in redelijkheid tot zijn uitleg heeft kunnen komen dat vermindering naar evenredigheid kon plaatsvinden.

3. Naar aanleiding van de standpunten in hoger beroep overweegt de Raad als volgt.

3.1. In de eerste plaats merkt de Raad op - zoals ook bij verweerschrift in hoger beroep aan de Raad is medegedeeld - dat met betrekking tot de aanspraak van een militair als appellant op een tegemoetkoming in dubbele woonlasten in de periode tot 1 oktober 2007 andere regels van toepassing waren dan na die datum. Omdat de bevoegdheid tot het toekennen van de tegemoetkoming tot 1 oktober 2007 aan de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris) toekwam en nadien aan de commandant, heeft de onder I genoemde gemachtigde het bestreden besluit, dat voor de gehele periode was genomen door de commandant, namens de staatssecretaris voor zijn rekening genomen voor zover het de periode betreft tot 1 oktober 2007. Gelet op hetgeen de Raad hierna over de houdbaarheid van het bestreden besluit zal overwegen en beslissen, laat hij een wijziging of aanvulling van de partijstelling achterwege. Ook zal hij blijven spreken over “het bestreden besluit”, zij het dat een afzonderlijk oordeel wordt gegeven over de periode tot 1 oktober 2007 en over de periode daarna.

3.2. In de periode vanaf 1 oktober 2007 is in artikel 16 van het Verplaatsingskostenbesluit militairen (VKBM) met betrekking tot de tegemoetkoming in de dubbele woonlasten bepaald dat die wordt vastgesteld met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen regels. Die regeling betreft de Verplaatsingskostenregeling militairen (VKRM) en in het bijzonder artikel 14a daarvan. Nadat in het eerste lid van dat artikel is bepaald dat de tegemoetkoming wordt toegekend voor zover de dubbele woonlasten door het bevoegd gezag als noodzakelijk worden beoordeeld - wat hier tussen partijen niet in geschil is -, is in het tweede lid bepaald: “De tegemoetkoming wordt toegekend voor ten hoogste vier maanden en is gelijk aan de noodzakelijk te maken kosten doch maximaal € 600,- per maand”.

3.3. Appellant is van opvatting dat in die bepaling op geen enkele wijze uitdrukking is gegeven aan enige evenredige toewijzing per dag, anders dan dat bij een hogere woninghuur - per maand - het meerdere niet voor vergoeding in aanmerking kan worden gebracht. De commandant heeft gesteld dat “uitvoeringstechnisch” een maand “steevast” op dertig dagen wordt gezet en dat de tegemoetkoming per dag dus één dertigste deel van het maandbedrag is. Ter zitting heeft de gemachtigde van de commandant ter onderbouwing van die stelling in het bijzonder een beroep gedaan op bepalingen als artikel 13, zevende lid, van de VKRM en art. 3, tweede lid, van het Inkomstenbesluit militairen, in welke bepalingen met zoveel woorden is bepaald dat de vaststelling van een eigen bijdrage, respectievelijk van de bezoldiging, over een gedeelte van een maand plaatsvindt naar evenredigheid, waarbij het bedrag per dag wordt vastgesteld door het bedrag verschuldigd over een volle maand te delen door dertig. Hoewel een dergelijke bepaling ontbreekt in de hier aan de orde zijnde regeling van de tegemoetkoming in de dubbele woonlasten, moet een dergelijke bedoeling in die regeling gelezen worden, aldus de commandant.

3.4. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is in het VKBM en de VKRM aan de commandant niet een zekere beoordelingsvrijheid gelaten. Het gaat hier om de uitleg van geschreven rechtsregels en een eerste aanknopingspunt daarvoor geeft de tekst van die regels. De Raad ziet in de tekst van artikel 14a van de VKRM geen enkel aanknopingspunt voor de opvatting van de commandant. Nu een toelichting op die bepaling ontbreekt, kan de Raad de commandant evenmin volgen in zijn opvatting dat de bedoeling van een berekening naar evenredigheid in dat artikel gelezen moet worden. De Raad ziet in de door de commandant genoemde, uitdrukkelijk wel geregelde gevallen juist een aanwijzing dat de door de commandant gegeven uitleg niet opgaat voor de met ingang van 1 oktober 2007 in werking getreden bepaling van artikel 14a van de VKRM. Na de uitdrukkelijke regeling van een berekeningswijze naar evenredigheid in artikel 13 van de VKRM had, als het de bedoeling van de regelgever was geweest die berekeningswijze ook te hanteren bij de vaststelling van de tegemoetkoming in dubbele woonlasten, een vergelijkbare formulering in artikel 14a van de VKRM in de rede gelegen.

3.5. De commandant heeft dus een onjuiste uitleg aan artikel 14a van de VKRM gegeven. De door appellant bepleite uitleg verdraagt zich met de tekst van dat artikel en leidt noch in het algemeen, noch in zijn situatie tot een ongerijmde uitkomst. Dat brengt de Raad tot de conclusie dat voor de periode vanaf 1 oktober 2007 overeenkomstig die laatste uitleg toepassing gegeven moet worden aan dat artikel.

3.6. In de periode tot 1 oktober 2007 bepaalde artikel 16 van het VKBM slechts dat de tegemoetkoming in dubbele woonlasten, voor zover deze kosten noodzakelijk worden beoordeeld, wordt toegekend voor een periode van vier maanden. Er ontbraken verdere geschreven rechtsregels. Wel was, aldus de onder I genoemde gemachtigde, sprake van een bestendig beleid. Verder was een aanvankelijk betrekkelijk laag maximum bedrag inmiddels vervangen door een hoger bedrag dat was gekoppeld aan dat van de huurbescherming; tot 1 oktober 2007 bedroeg het € 558,75.

3.7. Omdat blijkens het verhandelde ter zitting met de tekst van artikel 14a van de VKRM niet is beoogd een wijziging aan te brengen in de manier van berekenen van de tegemoet-koming, omdat enig nader verifieerbaar gegeven over de bestendige praktijk ontbreekt en omdat de periode waarom het hier gaat, drie dagen betreft, komt het de Raad geraden voor aan de tot 1 oktober 2007 geldende regels eenzelfde uitleg te geven als hierboven is uiteengezet voor de periode vanaf 1 oktober 2007.

4. Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in strijd is met de vermelde voorschriften en dat de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit ten onrechte in stand is gelaten, moet worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien. Hij zal bij deze uitspraak aan appellant een nadere tegemoetkoming toekennen van € 168,06.

5. De Raad ziet tot slot aanleiding om de commandant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,- wegens kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 644,- wegens kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal op € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit voor zover dat betrekking heeft op de weigering aan appellant een nadere tegemoetkoming toe te kennen van € 168,06;

Kent appellant een nadere tegemoetkoming toe van € 168,06 en bepaalt dat deze uitspraak van de Raad in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

Veroordeelt de commandant in de proceskosten van appellant tot een bedrag van€ 1.288,-;

Bepaalt dat de commandant aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 361,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.G. Treffers en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M. Lammerse.

HD

Q