Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2295

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
08-7297 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkkering toe te kennen. het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een Wet WIA-uitkering, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. De Raad heeft, gelet op het niet eenduidige beeld dat uit de voorhanden zijnde medische gegevens opdoemt, het geraden geoordeeld zich door een medisch deskundige nader te laten voorlichten. De orthopedische chirurg Braakman is bij rapport van 30 december 2009 tot de conclusie gekomen dat de belastbaarheid van appellante bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is onderschat. De Raad merkt op het alleszins verantwoord te achten dat de geraadpleegde deskundige een oordeel heeft gegeven over de vraag of appellante met inachtneming van de bij haar gevonden beperkingen in staat is de passend geachte functies te vervullen, nu deze deskundige kennis heeft kunnen nemen van de omschrijving van de belasting die optreedt in die functies. Dit oordeel stemt grotendeels overeen met het oordeel van de bezwaararbeidsdeskundige. De Raad is van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige Harren afdoende heeft gemotiveerd waarom het door de deskundige veronderstelde belastende aspect van frequente kortcyclische belasting in de functie van productiemedewerker industrie zich slechts voordoet binnen de door de deskundige getrokken grenzen. Daardoor is ook deze functie voor appellante geschikt te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7297 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 november 2008, 07/1218 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.T.A. Duijs, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld en een aantal stukken van medische aard ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 6 augustus 2009 heeft het Uwv, door de Raad desverzocht, een reactie van de bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij ingezonden op de van de zijde van appellante in hoger beroep ingezonden stukken.

Hierin heeft de Raad aanleiding gezien zich omtrent de gezondheidstoestand van appellante en haar arbeidsmogelijkheden van verslag en advies te laten dienen door de als deskundige geraadpleegde orthopedisch chirurg M. Braakman te Weert. Deze deskundige heeft bij rapport van 30 december 2009 aan zijn opdracht voldaan.

Partijen hebben op het uitgebrachte deskundigenadvies schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar raadsman mr. M.J.H. Roebroek, eveneens werkzaam bij DAS Rechtsbijstand. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M.C. Höppener.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is laatstelijk voor de aanvang van haar arbeidsongeschiktheid op

18 april 2005 gedurende 15 uur per week als thuishulp werkzaam geweest. Daarnaast ontving zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet uit hoofde van de door haar tot 16 juli 2003 in een omvang van circa 23 uur per week verrichte werkzaamheden van leerling tandtechniek. Bij besluit van 7 maart 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 104 weken per 16 april 2007 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het Uwv heeft dit besluit bij besluit op bezwaar van

18 juli 2007 (het bestreden besluit) gehandhaafd op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 35% bedraagt.

2. In beroep heeft appellante aangevoerd dat aan het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag heeft gelegen, dat haar medische beperkingen door de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen zijn onderschat en dat een nader onderzoek door een deskundige noodzakelijk is. Ook heeft appellante de geschiktheid bestreden van de ten behoeve van de schatting door de (bezwaar)arbeidsdeskundige geselecteerde functies en heeft zij gewezen op de omvang van de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige gehanteerde maatman.

3. Het Uwv heeft in beroep nader onderzoek ingesteld naar de maatmanomvang en de voor appellante geschikt te achten functies. Op grond van het rapport van 3 april 2008 van de bezwaararbeidsdeskundige C.P.M. Harren heeft het Uwv geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante onverminderd per einde wachttijd minder dan 35% bedraagt.

4.1. De rechtbank heeft als haar oordeel gegeven dat zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts voldoende informatie tot hun beschikking hadden om een oordeel over de psychische en lichamelijke belastbaarheid van appellante ten tijde hier in geding te geven, dat uit de in beroep ingezonden recente informatie van de behandelend orthopedisch chirurg dr. A. van Ooij niet is gebleken dat het Uwv met de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 16 juli 2007 opgenomen beperkingen de klachten van appellante heeft onderschat en dat er geen aanleiding is om tegemoet te komen aan het verzoek van appellante om een onafhankelijke deskundige in te schakelen.

4.2. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting heeft de rechtbank geoordeeld dat de bezwaararbeidsdeskundige de signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante in de geselecteerde functies voldoende heeft toegelicht en dat vergelijking van het maatmaninkomen met het inkomen dat appellante met die functies kan verdienen geen verlies aan verdienvermogen laat zien. Daarop heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten.

5.1. In hoger beroep heeft appellante haar gronden van medische aard herhaald onder inzending van een rapport van 4 februari 2009 van de door haar ingeschakelde verzekeringsarts H.M.Th. Offermans. Voorts heeft appellante gewezen op een rapport van 21 oktober 2008 van de in dienst van het Uwv werkzame verzekeringsarts R.C.C. Janssen naar aanleiding van een ziekmelding van appellante per 16 december 2007. Aan dit rapport valt te ontlenen dat deze verzekeringsarts de belastbaarheid van appellante beperkter inschat dan is aangenomen bij de hier aan de orde zijnde beoordeling.

5.2. De bezwaarverzekeringsarts Van der Kooij heeft na kennisneming van deze stukken bij op 6 augustus 2009 ingezonden rapport zijn standpunt gemotiveerd gehandhaafd dat de FML van 16 juli 2007 een correcte weergave geeft van de functionele mogelijkheden van appellante ten tijde hier in geding. Van een op 6 april 2009 uitgebracht rapport van de bezwaarverzekeringsarts Van der Kooij, waarin wordt vermeld dat aansluiting wordt gezocht bij de door de verzekeringsarts Janssen per 16 december 2007 opgestelde FML, heeft het Uwv opgemerkt dat de bezwaarverzekeringsarts daarbij abusievelijk van de veronderstelling is uitgegaan dat door het Uwv conform deze FML een besluit was afgegeven, hetgeen echter niet het geval is. De bezwaarverzekeringsarts heeft, aldus het Uwv, zijn eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.

5.3. De Raad heeft, gelet op het niet eenduidige beeld dat uit de voorhanden zijnde medische gegevens opdoemt, het geraden geoordeeld zich door een medisch deskundige nader te laten voorlichten. De orthopedische chirurg Braakman is bij rapport van 30 december 2009 tot de conclusie gekomen dat de belastbaarheid van appellante bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is onderschat. De deskundige heeft op een aantal items de functionele mogelijkheden van appellante meer beperkt geacht. Rekening houdend met de voor appellante geldende beperkingen is de deskundige, na kennisneming van de belastende aspecten in de geselecteerde functies, tot de conclusie gekomen dat twee van de drie aan de schatting ten grondslag liggende functies zonder meer voor appellante geschikt zijn en dat de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag liggende functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) met betrekking tot de aanwezigheid van frequente kortcyclische belasting nadere toelichting behoeft.

5.4. In reactie hierop heeft de bezwaararbeidsdeskundige Harren de geselecteerde functies met inachtneming van het rapport van de deskundige Braakman en na overleg met de bezwaarverzekeringsarts Van der Kooij opnieuw op hun geschiktheid voor appellante beoordeeld. Bij rapport van 1 februari 2010 heeft hij gemotiveerd waarom alle functies voldoen aan de door de deskundige Braakman gestelde eisen. Daarop heeft het Uwv meegedeeld zijn standpunt te handhaven.

5.5. Appellante heeft bij brief van 9 maart 2010 de Raad laten weten opgelucht te zijn dat haar rugproblemen door de deskundige zijn erkend. Wel wijst appellante erop dat te veel stress slecht is voor haar hartproblemen en dat de deskundige te kennen heeft gegeven geen inzicht te hebben in haar psychische problemen.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De Raad is van oordeel dat het door de deskundige verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is.

6.3. De deskundige heeft zich onthouden van een oordeel over de mogelijk psychische factoren die van invloed zijn op de belastbaarheid van appellante, omdat die buiten zijn competentie vallen. De Raad ontleent aan de gegevens van medische en andere aard onvoldoende aanwijzingen dat ten tijde hier in geding dienaangaande de medische beperkingen door de (bezwaar)verzekeringsarts zijn onderschat. In de FML van 16 juli 2007 is met betrekking tot het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante een aantal beperkingen opgenomen. De Raad heeft bij gebreke van in een andere richting wijzende gegevens geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat hiermee niet in toereikende mate de belastbaarheid van appellante is beperkt. De omstandigheid dat de verzekeringsarts Janssen met betrekking tot de psychische belastbaarheid van appellante een half jaar later tot ernstiger beperkingen komt leidt de Raad niet tot een ander oordeel, nu de situatie een half jaar later niet zonder meer bepalend is voor het oordeel over de psychische beperkingen ten tijde hier in geding.

6.4. De Raad merkt op het alleszins verantwoord te achten dat de geraadpleegde deskundige een oordeel heeft gegeven over de vraag of appellante met inachtneming van de bij haar gevonden beperkingen in staat is de passend geachte functies te vervullen, nu deze deskundige kennis heeft kunnen nemen van de omschrijving van de belasting die optreedt in die functies. Dit oordeel stemt grotendeels overeen met het oordeel van de bezwaararbeidsdeskundige. De Raad is van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige Harren afdoende heeft gemotiveerd waarom het door de deskundige veronderstelde belastende aspect van frequente kortcyclische belasting in de functie van productiemedewerker industrie zich slechts voordoet binnen de door de deskundige getrokken grenzen. Daardoor is ook deze functie voor appellante geschikt te achten.

6.5. De Raad komt gelet op het hiervoor overwogene tot de conclusie dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een Wet WIA-uitkering, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. De aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en M. Greebe en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.J. van der Torn.

RK