Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2293

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
26-07-2010
Zaaknummer
09-902 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hoogte van inkomsten uit tegenwoordige arbeid in beroep en bedrijf, welke in mindering worden gebracht op de uitkering. De Raad volgt verweerster in haar stelling dat bij de vaststelling van het inkomen van appellant in het kader van de vaststelling van de op de periodieke uitkering toe te passen korting, geen ruimte bestaat voor correctie van dit inkomen met de zelfstandigenaftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/902 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 1 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 16 december 2008, kenmerk BZ 47639, JZ/L80/2008, ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wuv).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2010. Daar is appellant niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt een periodieke uitkering ingevolge de Wuv.

1.2. Bij berekeningsbeschikking van 31 juli 2008 heeft verweerster de over 2005 aan appellant toekomende periodieke uitkering definitief berekend. Daarbij is op de uitkering van appellant per maand een bedrag in mindering gebracht ter zake van inkomsten uit tegenwoordige arbeid in beroep en bedrijf als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder a van de Wuv. Dit besluit heeft verweerster na bezwaar bij het bestreden besluit gehandhaafd.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

2.1. Partijen zijn het erover eens dat in 2005 appellants inkomsten uit dienstbetrekking € 22.208,- bedragen. Tussen partijen is echter in geschil van welk bedrag moet worden uitgegaan bij de inkomsten uit appellants bedrijf. Verweerster is uitgegaan van € 16.013,-. Dit is het bedrag aan winst uit onderneming, vermeerderd met de kosten van € 402,- die niet voor aftrek in aanmerking komen. Appellant stelt echter dat de winst uit onder-neming € 8.803,- bedraagt.

2.2. Naar verweerster stelt, hetgeen appellant niet heeft weersproken, is het verschil tussen € 16.013,- en € 8.803,- het bedrag van de zelfstandigenaftrek over 2005. Volgens verweerster is de zelfstandigenaftrek echter alleen van belang in het kader van de vaststelling van de verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekering. Voor de berekening van inkomsten uit bedrijf in het kader van de periodieke uitkering heeft deze fiscale aftrekpost volgens verweerster echter geen betekenis.

2.3. De Raad volgt verweerster in haar stelling dat bij de vaststelling van het inkomen van appellant in het kader van de vaststelling van de op de periodieke uitkering toe te passen korting, geen ruimte bestaat voor correctie van dit inkomen met de zelfstandigenaftrek. De zelfstandigenaftrek is immers niet een aftrekpost in verband met de door appellant als zelfstandige verrichte werkzaamheden, maar is in feite een fiscale stimuleringsmaatregel. De achtergrond van de zelfstandigenaftrek is om een belastingverlichting voor zelf-standigen met een bescheiden winst te bewerkstelligen. In de Wuv is (dan ook) niet voorzien in de mogelijkheid om het inkomen te verminderen met de zelfstandigenaftrek.

3. Dat leidt de Raad tot het oordeel dat de grieven van appellant niet slagen en dat zijn beroep daarom ongegrond moet worden verklaard.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD