Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2289

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-06-2010
Datum publicatie
26-07-2010
Zaaknummer
08-508 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld CRvB 16 maart 2000, LJN AA5687 en TAR 2000, 63 en CRvB 10 september 2009, LJN BJ8726) wordt een ambtenaar bij een bepaalde overheidswerkgever (in dit geval de gemeente De Ronde Venen) in het algemeen niet in de door artikel 8:4, onder d, van de Awb geëiste hoedanigheid van ambtenaar getroffen door de weigering hem of haar te benoemen in een functie bij een andere overheidswerkgever (in dit geval de gemeente Wijdemeren). Geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/508 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2007, 06/5006 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren (hierna: college)

Datum uitspraak: 17 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2010. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Stroink, werkzaam bij de gemeente Wijdemeren.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was tot 1 juli 2006 in dienst bij de gemeente De Ronde Venen; het laatste jaar van zijn dienstverband genoot hij buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging. Op 24 april 2006 solliciteerde appellant bij het college naar de functie van senior medewerker civiele techniek. Op 22 juni 2006 deelde het college appellant mee te hebben besloten de sollicitatieprocedure met hem te beëindigen. Tegen dit besluit diende appellant op 1 juli 2006 een bezwaarschrift in. Het college verklaarde dit bezwaarschrift bij besluit van 30 augustus 2006 (hierna: bestreden besluit) kennelijk niet-ontvankelijk op de grond dat het hier een besluit betrof als bedoeld in artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en dat de daar genoemde uitzonderingsclausule in dit geval niet van toepassing was.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld - en gezien artikel 7:1 van die wet kan dus ook geen bezwaar worden gemaakt - tegen een besluit tot benoeming of aanstelling, tenzij beroep wordt ingesteld door, voor zover hier van belang, een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig. Hetzelfde heeft te gelden voor de weigering om te benoemen of aan te stellen.

3.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld CRvB 16 maart 2000, LJN AA5687 en TAR 2000, 63 en CRvB 10 september 2009, LJN BJ8726) wordt een ambtenaar bij een bepaalde overheidswerkgever (in dit geval de gemeente De Ronde Venen) in het algemeen niet in de door artikel 8:4, onder d, van de Awb geëiste hoedanigheid van ambtenaar getroffen door de weigering hem of haar te benoemen in een functie bij een andere overheidswerkgever (in dit geval de gemeente Wijdemeren). Alleen onder zeer bijzondere omstandigheden kan dit anders zijn, met name indien sprake is van een voldoende rechtstreeks verband tussen het bestreden besluit en het ambtenaarschap. Appellant is weliswaar van mening dat in zijn geval sprake is van een bijzondere situatie die noopt tot een uitzondering op de regel, maar de omstandigheden die hij daarbij noemt hebben in het geheel geen betrekking op een mogelijk getroffen zijn als ambtenaar als zodanig. De rechtbank heeft dan ook terecht het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.3. Hetgeen appellant ter zitting bij de Raad heeft aangevoerd over artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden - erop neerkomend dat de beperking van artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb met genoemde Verdragsbepaling in strijd moet worden geacht - treft geen doel. De Raad volstaat met verwijzing naar zijn uitspraak van 6 oktober 2008, LJN BF8157 en TAR 2009, 17, in welke uitspraak in aanmerking is genomen dat voor de betrokken sollicitant de weg naar de burgerlijke rechter openstaat.

4. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) I. Mos.

HD

27.05