Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
23-07-2010
Zaaknummer
08/746 WWB + 08/747 WWB + 08/5523 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een langdurigheidstoeslag. Sprake van verwijtbaar handelen van appellante ten aanzien van haar arbeidsinschakeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/184
RSV 2010/257 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
AB 2010/248 met annotatie van R. Stijnen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/746 WWB

08/747 WWB

08/5523 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante] en [appellant], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 21 december 2007, 07/600 (hierna: aangevallen uitspraak 1),

en

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 augustus 2008, 08/550 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L. Bovenkamp, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1. Namens appellante heeft mr. Bovenkamp hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2010. Voor appellanten is verschenen mr. Bovenkamp. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellanten ontvangen bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Bij besluit van 18 oktober 2005 heeft het College de bijstand van appellanten met ingang van 1 oktober 2005 verlaagd met 50% voor de duur van een maand. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden om via scholing of andere activiteiten haar kansen te vergroten om weer zelf in de kosten van levensonderhoud te voorzien, nu zij meerdere malen geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodigingen van Argonaut om te verschijnen voor een medisch onderzoek. Bij besluit van 14 april 2006 is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

1.3.1. Bij besluit van 26 oktober 2006 heeft het College de aanvraag van 24 oktober 2006 voor een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de WWB voor het jaar 2006 afgewezen. Het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 april 2007 ongegrond verklaard.

1.3.2. Bij besluit van 20 augustus 2007 heeft het College de aanvraag van 13 augustus 2007 voor een langdurigheidstoeslag voor het jaar 2007 afgewezen. Het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 maart 2008 ongegrond verklaard.

1.3.3. Het College heeft aan de afwijzingen ten grondslag gelegd dat appellante gedurende de in artikel 36 van de WWB genoemde referteperiode onvoldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. In dat verband heeft het College gewezen op de aan appellante bij besluit van 18 oktober 2005 opgelegde en bij besluit van 14 april 2006 gehandhaafde maatregel van 50% wegens niet meewerken aan een onderzoek. Tegen laatstgenoemd besluit heeft appellante geen beroep ingesteld, zodat dat besluit onherroepelijk is geworden.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 17 april 2007 en 4 maart 2008 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich gemotiveerd tegen de uitspraken van de rechtbank gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WWB verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die, voor zover hier van belang, (a) gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en (c) gedurende de in onderdeel a bedoelde periode (de referteperiode) naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden.

4.1.2. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, stelt de gemeenteraad bij verordening regels vast met betrekking tot het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB. Ingevolge artikel 36, zesde lid, van de WWB, is artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van overeenkomstige toepassing.

4.2. Het College heeft voor de vaststelling of is voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB gestelde voorwaarde in het ‘Uitvoeringsbesluit WWB’ (hierna: Uitvoeringsbesluit) een beleidsregel geformuleerd. In beslispunt 7 van het Uitvoeringsbesluit is het volgende opgenomen: “De langdurigheidstoeslag wordt geweigerd (verlaging van 100%) indien er gedurende de referteperiode (60 maanden) een maatregel dan wel verlaging is opgelegd wegens een gedraging van de tweede, derde of vierde categorie van (…) hoofdstuk 2 van de Afstemmingsverordening WWB.”

4.3.1. De Raad is van oordeel dat het College bevoegd is om beleid vast te stellen ter invulling van de aan hem in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB opgedragen taak om te beoordelen wanneer is voldaan aan het criterium ‘voldoende trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden’. De wetgever heeft het College door het opnemen van de zinsnede “naar het oordeel van het college” immers beoordelingsvrijheid gegeven ten aanzien van de invulling van dat criterium. Naar het oordeel van de Raad behoort tot deze vrijheid van het College ook het vaststellen van omstandigheden in welk geval wordt aangenomen dat niet aan bedoeld criterium is voldaan, in welk geval de langdurigheidstoeslag conform artikel 36, eerste lid, van de WWB geweigerd wordt.

4.3.2. Aan hetgeen onder 4.3.1 is overwogen doet niet af dat het, gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 36, zesde lid, van de WWB, aan de gemeenteraad is om bij verordening regels vast te stellen met betrekking tot het verlagen van de langdurigheidstoeslag. Naar het oordeel van de Raad is het weigeren van de langdurigheidstoeslag omdat niet aan (één van) de voorwaarden is voldaan niet gelijk te stellen aan het verlagen van de langdurigheidstoeslag (met 100%), ondanks de door het College in beslispunt 7 van het Uitvoeringsbesluit WWB gebruikte bewoordingen. Het karakter van de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 36, zesde lid, van de WWB omschreven maatregel van verlaging van de langdurigheidstoeslag is immers een geheel andere dan de - ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WWB aan het College voorbehouden - weigering van de langdurigheidstoeslag indien niet is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning daarvan.

4.4. De Raad is voorts van oordeel dat het College, door het bij zijn oordeelsvorming met betrekking tot de vraag of is voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB genoemde voorwaarde betrekken van binnen de referteperiode opgelegde maatregelen, de reikwijdte van genoemd artikel niet te buiten is gegaan. De Raad wijst er in dat verband op dat dit in overeenstemming is met de uitleg die de Staatssecretaris in zijn brief van 7 december 2004 over artikel 36, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB heeft gegeven aan de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Kamerstukken II 28 870, nr. 127). Daarin is aangegeven dat de gemeenten zelf bepalen of, en in welke mate sancties en boetes die in het verleden aan de belanghebbende zijn opgelegd in dit kader relevant zijn en dat in beginsel alleen sancties die het gevolg zijn van verwijtbaar handelen van de belanghebbende ten aanzien van zijn arbeidsinschakeling een rol kunnen spelen.

4.5. In dit verband moet worden vastgesteld dat de op 18 oktober 2005 opgelegde maatregel betrekking heeft op het door appellante niet meewerken aan een onderzoek naar haar mogelijkheden om via scholing of andere activiteiten haar kansen te vergroten om weer zelf in haar kosten van levensonderhoud te voorzien. Derhalve was sprake van verwijtbaar handelen van appellante ten aanzien van haar arbeidsinschakeling. De Raad is van oordeel dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd omtrent de problematiek van appellant waardoor het appellante niet valt te verwijten dat zij niet heeft meegewerkt aan het onderzoek, betrekking heeft op de opgelegde maatregel en dat deze gronden in een procedure tegen het besluit van 18 oktober 2005 hadden kunnen en moeten worden aangevoerd. Appellante heeft dit evenwel niet gedaan. Met het besluit van 14 april 2006 dat in rechte onaantastbaar is geworden, staat het verwijtbaar handelen van appellante in zoverre vast.

4.6. De Raad komt tot de conclusie dat het College zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB gestelde voorwaarde is voldaan.

4.7. Uit hetgeen is overwogen onder 4.3.1 tot en met 4.6 vloeit voort dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.N.A. Bootsma en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

AV