Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2172

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
23-07-2010
Zaaknummer
08-4024 WWB + 08-4041 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4024 WWB

08/4041 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 mei 2008, 07/1939 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B.C.A. Reijnders, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2010. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Reijnders. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.H.E. Overhof, werkzaam bij de gemeente Maastricht.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellanten ontvangen sinds 9 april 2002 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge Wet werk en bijstand (WWB), ter aanvulling op de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2. In de periode van 1 juli 1999 tot 1 januari 2002 is appellant eigenaar geweest van pizzeria “[naam pizzeria]” te [vestigingsplaats]. Sinds 1 maart 2004 is [naam eigenaar] eigenaar van deze pizzeria. Naar aanleiding van een dienstmededeling dat appellant zeer regelmatig in de pizzeria wordt gesignaleerd heeft de Sociale Recherche Maastricht en Valkenburg een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader zijn observaties verricht en is appellant verhoord. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 1 februari 2007.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 7 februari 2007 de bijstand over de periode van 1 maart 2004 tot en met 31 december 2006 te herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 18.866,25 van appellanten terug te vorderen. Daarnaast heeft het College de bijstand van appellanten met ingang van 1 maart 2007 verlaagd met 100% gedurende een maand. De besluitvorming berust op de vaststelling dat appellant, zonder daarvan aan het College melding te maken, gedurende 6 dagen per week 3 uur per dag, werkzaamheden heeft verricht in de pizzeria.

1.4. Bij besluit van 24 september 2007 is het tegen het besluit van 7 februari 2007 gemaakte bezwaar in zoverre gegrond verklaard dat de terugvordering is verlaagd naar € 18.330,06. Hierbij is alsnog rekening gehouden met het feit dat appellant gedurende een drietal ziekenhuisopnames geen werkzaamheden heeft kunnen verrichten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 24 september 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat voldoende aannemelijk is geworden dat appellant in de in geding zijnde periode werkzaamheden heeft verricht in de pizzeria. Daartoe kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan de door appellant afgelegde en door appellanten ondertekende verklaring. Appellant heeft onder andere verklaard dat hij de pizzeria tot 2001 heeft gerund, dat de huidige eigenaar hem na ongeveer twee jaar heeft gevraagd om de zaak helpen te verkopen, dat hij hem vanaf die tijd met raad en daad heeft bijgestaan, dat hij dagelijks van 17.00 tot 20.00 uur in de zaak aanwezig was, dat hij deze zaak om 17.00 uur opent met zijn sleutel, dat hij klanten heeft geholpen, dat het werken bestaat uit het opnemen van de bestellingen, het bedienen van de oven en dergelijke en dat hij alleen in de zaak is. Daarbij is uit de door appellanten overgelegde verklaring van [eigenaar] gebleken dat hij vanaf het begin een goede vriendschapsrelatie heeft gehad met appellant, appellant vaak bij hem langskwam en bij veel klanten geliefd was.

4.2. De Raad ziet voorts in hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd geen aanknopingspunten om in dit geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. De Raad acht niet uitgesloten dat appellant gedurende het verhoor op 24 januari 2007 emotioneel en enigszins van slag was, maar niet is gebleken dat appellant niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk zijn verklaring heeft afgelegd of anderszins feitelijk onjuist heeft verklaard. Daarnaast was appellante eveneens bij dit verhoor aanwezig en heeft ook zij de door appellant afgelegde verklaring zonder voorbehoud ondertekend.

4.3. Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij voor die werkzaamheden nimmer een beloning heeft ontvangen. Naar vaste rechtspraak moet bij de vaststelling van de hoogte van inkomsten uit arbeid in beginsel worden uitgegaan van de feitelijk verrichte werkzaamheden en de inkomsten die daaruit daadwerkelijk worden verworven. Voor het in aanmerking nemen van een fictief inkomen is onder meer ruimte, indien tegenover het verrichten van arbeid geen dan wel zo’n lage beloning staat dat van een reële betaling voor die arbeid geen sprake is.

4.4. Bij gebreke van gegevens omtrent beloning en gelet op de omvang, aard en regelmaat van de werkzaamheden die appellant ten tijde hier in geding in de pizzeria verrichtte, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College mocht uitgaan van een fictief inkomen voor de verrichte werkzaamheden ter hoogte van het wettelijk minimumloon omgerekend naar drie uur per dag. Daarnaast acht de Raad niet onjuist dat het College met het oog op de openingstijden van de pizzeria uit de door appellant afgelegde verklaring heeft afgeleid dat hij zes dagen per week in de pizzeria werkzaam is geweest. Voor het standpunt van appellant dat hij vanwege zijn slechte gezondheid en frequent ziekenhuisbezoek gedurende meerdere periodes niet heeft kunnen werken heeft de Raad in de overgelegde medische gegevens geen steun kunnen vinden nu deze betrekking hebben op bezoeken van appellant aan diverse poliklinieken op tijden dat de pizzeria was gesloten en deze daarnaast grotendeels buiten de in geding zijnde periode hebben plaatsgevonden.

4.5. Van deze werkzaamheden, die onmiskenbaar van belang zijn voor de verlening van bijstand, heeft appellant aan het College geen mededeling gedaan. Daarmee heeft appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting gehandeld. Als gevolg van die schending heeft het College aan appellanten tot een te hoog bedrag bijstand verleend over de periode van 1 maart 2004 tot en met 31 december 2006.

4.6. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen brengt mee dat het College bevoegd was op grond van artikel 54, derde lid, onder a, van de WWB de aan appellanten over de periode van 1 maart 2004 tot en met 31 december 2006 verleende bijstand te herzien en alsnog rekening te houden met de fictief vastgestelde inkomsten. De wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt is door appellanten niet bestreden.

4.7. Uit hetgeen onder 4.6 is overwogen vloeit voort dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de kosten van de als gevolg van de herziening over de periode van 1 maart 2004 tot en met 31 december 2006 teveel verstrekte bijstand van appellanten terug te vorderen. In hetgeen is aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het College in redelijkheid niet tot terugvordering heeft kunnen overgaan.

4.8. Appellanten hebben geen zelfstandige gronden naar voren gebracht tegen het oordeel van de rechtbank dat, kort gezegd, de opgelegde maatregel de rechterlijke toets kan doorstaan, zodat dit oordeel geen nadere bespreking behoeft.

4.9. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.8 is overwogen brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.N.A. Bootsma en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

AV