Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2168

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
23-07-2010
Zaaknummer
09/47 WWB + 09/51 WWB + 09/87 WWB + 09/88 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking, terugvordering en afwijzing bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Geen melding van bankrekeningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/47 WWB

09/51 WWB

09/87 WWB

09/88 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen twee uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 november 2008, 06/6671 en 07/1144 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 06/10319 en 07/5509 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. G.D. Haytink, advocaat te ’s-Gravenhage, de hoger beroepen ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2010. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Haytink. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage. Tevens zijn verschenen de door appellanten meegebrachte getuigen [naam broer], een broer van appellant, en [naam zwager], een zwager van appellant.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. De zaken met de registratienummers 09/87 WWB en 09/88 WWB.

1.1.1. Appellanten ontvingen vanaf 25 oktober 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Voorts is aan hen bijzondere bijstand toegekend voor dieetkosten, als tegemoetkoming in de kosten van de aanvullende verzekering van het ziekenfonds, voor schoolkosten en in de kosten van huisraad.

1.1.2. Uit een signaal van de Belastingdienst is gebleken dat appellant drie niet bij het College bekende bankrekeningen op zijn naam had staan, te weten twee rekeningen bij de Demir Halk Bank (hierna: DHB) en één rekening bij de ISbank. In verband hiermee heeft de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: DSZW) appellanten uitgenodigd voor een gesprek over hun vermogen op 23 januari 2006, met het verzoek om alle bankafschriften van de verzwegen bankrekeningen vanaf 25 oktober 2004 over te leggen. Uit de tijdens dat gesprek overgelegde mutatieoverzichten is onder andere gebleken dat het saldo van de DHB-rekeningen eind december 2005 in totaal ruim € 156.000,-- bedroeg. Blijkens een rapportage van de DSZW heeft appellant tijdens het gesprek op 23 januari 2006 verklaard dat dit geld aan zijn ouders toebehoorde en na hun overlijden op zijn naam is blijven staan, maar dat het aan alle kinderen toekomt. In reactie op het daarop volgende verzoek van de DSZW om een notariële akte of een gelijkwaardig document in te leveren waarin wordt verklaard aan wie het tegoed op de verzwegen bankrekeningen toebehoort, heeft [naam broer], een broer van appellant, bij brief van 27 januari 2006 zes door appellant ondertekende kwitanties toegezonden waarin wordt verklaard dat appellant op 28 januari 2006 € 22.500,-- aan zijn broers en zussen en aan zijn oom heeft gegeven. Bij diezelfde brief heeft [naam broer] voorts toegezonden twee bankafschriften van de DHB-rekeningen van 27 januari 2006 waaruit blijkt dat op die datum de tegoeden op die rekeningen van in totaal € 156.770,-- volledig zijn opgenomen.

1.1.3. Bij besluit van 3 februari 2006 heeft het College de (algemene) bijstand van appellanten met ingang van 1 februari 2006 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellanten beschikken over meer vermogen dan kan worden vrijgelaten. Het College heeft bij besluit van 27 december 2006 het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 3 februari 2006 ongegrond verklaard.

1.1.4. Op basis van de gegevens die appellanten en [naam broer] hebben verstrekt heeft de Afdeling Bijzonder Onderzoek een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In de bevindingen van dit onderzoek, neergelegd in een rapportage van 10 februari 2006, heeft het College aanleiding gezien om bij besluit van 10 februari 2006 de aan appellanten over de periode van 25 oktober 2004 tot en met 31 januari 2006 verleende bijstand in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen tot een bedrag van € 20.613,94. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellanten, zonder daarvan melding te maken, in de hiervoor genoemde periode een vermogen boven de voor hen geldende vermogensgrens hadden. Het College heeft bij besluit van 22 juni 2006 het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 10 februari 2006 ongegrond verklaard.

1.2. De zaken met de registratienummers 09/47 WWB en 09/51 WWB.

1.2.1. Op 10 april 2006 hebben appellanten een nieuwe aanvraag om (algemene) bijstand ingediend. Het College heeft deze aanvraag bij besluit van 24 april 2006 afgewezen. Bij besluit van 14 juli 2008 heeft het College het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 24 april 2006 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd, voor zover hier van belang, dat appellanten niet hebben aangegeven op welke wijze zij het op 27 januari 2006 van de DHB-rekeningen opgenomen bedrag hebben besteed.

1.2.2. Op 20 december 2006 hebben appellanten zich opnieuw gemeld voor een aanvraag om (algemene) bijstand. Voorts hebben appellanten op 28 december 2006 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor respectievelijk een aanvullende ziektekostenverzekering, dieetkosten en schoolkosten. Op 15 januari 2007 hebben appellanten nog een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor griffierecht en de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand.

1.2.3. Bij besluit van 8 februari 2007 heeft het College de aanvraag om algemene bijstand van 20 december 2006 afgewezen op de grond dat appellanten geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren hebben gebracht op grond waarvan kan worden geoordeeld dat zij recht op bijstand hebben. Bij afzonderlijke besluiten van - eveneens -

8 februari 2007 heeft het College de aanvragen om bijzondere bijstand afgewezen op de grond dat appellanten over voldoende middelen beschikken om in het gevraagde te kunnen voorzien. Het College heeft bij besluit van 5 juni 2007, voor zover van belang, de bezwaren tegen de besluiten van 8 februari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 22 juni 2006 en 27 december 2006 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 juli 2008 ongegrond verklaard en - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 5 juni 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover dit ziet op de afwijzing van de aanvragen om bijzondere bijstand, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraken gekeerd, wat de aangevallen uitspraak 2 betreft voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 14 juli 2008 ongegrond is verklaard en voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 5 juni 2007 in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De intrekking en de terugvordering van de bijstand (09/87 WWB en 09/88 WWB).

4.1.1. De Raad stelt voorop dat het College bij zijn besluit van 3 februari 2006 de intrekking van de bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Gelet voorts op het intrekkingsbesluit van 10 februari 2006 dient de Raad in dit geval de periode van 25 oktober 2004 tot en met 3 februari 2006 te beoordelen.

4.1.2. Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de Raad staat vast, dat appellanten in de in geding zijnde periode naast de bij het College bekende bankrekeningen de beschikking hadden over nog drie bankrekeningen, die zij niet hadden opgegeven. Aangezien het hier gaat om gegevens die onmiskenbaar van belang kunnen zijn voor de verlening of voortzetting van de bijstand hebben appellanten, door van deze bankrekeningen geen melding te maken, de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.1.3. De Raad beperkt zich in het navolgende tot de DHB-rekeningen en stelt op basis van de beschikbare gegevens daarover vast dat het saldo van deze rekeningen op 25 oktober 2004 ongeveer € 152.000,-- bedroeg en op 27 januari 2006 € 156.770,--. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een bijstandontvanger de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.1.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellanten niet zijn geslaagd in het op hen rustende tegenbewijs. Vaststaat dat appellanten over de tegoeden op de DHB-rekeningen hebben kunnen beschikken en daarover ook daadwerkelijk hebben beschikt. Appellant heeft deze tegoeden immers blijkens de beschikbare gegevens op 27 januari 2006 in zijn geheel opgenomen. Appellanten hebben betoogd dat de tegoeden op de DHB-rekeningen een nog onverdeelde erfenis van de ouders van appellant betrof, dat deze erfenis, die door appellant werd beheerd, eind januari 2006 is verdeeld tussen appellant en diens broers en zussen en dat ook appellanten daaruit hun deel van € 22.500,-- hebben ontvangen. Ter onderbouwing hiervan hebben appellanten onder meer verwezen naar een in Turkije na het overlijden van de vader van appellant op 19 oktober 1989 opgemaakte verklaring van erfrecht, een door een Nederlandse notaris op 9 maart 2006 opgemaakte verklaring van erfrecht, een brief van de Belastingdienst van 15 november 1996 en naar een brief van belastingconsulent R.J. Plugge van 12 september 2007. Weliswaar blijkt uit de verklaringen van erfrecht dat na het overlijden van de ouders van appellant op respectievelijk 14 oktober 1989 (vader) en 6 mei 1996 (moeder) hun nalatenschap over appellant en zijn broers en zussen moest worden verdeeld, maar uit deze stukken, noch uit de overige door appellanten ingebrachte gegevens en verklaringen valt af te leiden dat deze nalatenschap bestond uit de tegoeden op de DHB-rekeningen die op naam van appellant stonden. De Raad deelt dan ook het oordeel van de rechtbank dat het College de tegoeden op de DHB-rekeningen terecht heeft aangemerkt als vermogen waarover appellanten (redelijkerwijs) konden beschikken.

4.1.5. In aanmerking genomen voorts dat appellanten - naar eigen zeggen - na het opnemen van de tegoeden op 27 januari 2006 in ieder geval de beschikking hadden over een bedrag van € 22.500,--, is de Raad van oordeel dat het vermogen van appellanten in de hier in geding zijnde periode de voor hen geldende vermogensgrens ruimschoots overschreed en dat zij in die periode dus geen recht op bijstand hadden. Het College was dan ook bevoegd om op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellanten vanaf 25 oktober 2004 in te trekken. De wijze waarop het College van zijn intrekkingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt, is niet bestreden.

4.1.6. Uit hetgeen onder 4.1.5 is overwogen vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte verstrekte bijstand. Appellanten hebben gesteld dat er dringende redenen zijn, op grond waarvan het College ingevolge het door hem gevoerde terugvorderingsbeleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien, en hebben er in dit verband op gewezen dat appellant depressieklachten heeft, veroorzaakt door financiële zorgen, en dat appellanten zich in een hachelijk financiële situatie bevinden. Deze omstandigheden leveren naar het oordeel van de Raad echter geen dringende redenen op in de zin van het beleid van het College met betrekking tot terugvordering.

4.2. De afwijzing van de aanvragen om algemene bijstand van 10 april 2006 en 20 december 2006 (09/47 WWB en 09/51 WWB).

4.2.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad ligt het, indien een lopende bijstandsuitkering is ingetrokken, in geval van een nieuwe aanvraag, gericht op het verkrijgen van een periodieke bijstandsuitkering met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aannemelijk te maken dat sprake is van een relevante wijziging in de omstandigheden, in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Dit betekent dat appellanten aannemelijk dienen te maken dat zij ten tijde hier van belang niet meer konden beschikken over een voor de bijstandsverlening relevant vermogen.

4.2.2. Ook in het kader van de (procedures met betrekking tot de) hier aan de orde zijnde bijstandsaanvragen hebben appellanten gesteld dat de bedragen die tot 27 januari 2006 op de beide DHB-rekeningen stonden een nog onverdeelde erfenis van de ouders van appellant betrof en dat het op 27 januari 2006 opgenomen bedrag van deze rekeningen van € 156.770,-- onder de erfgenamen is verdeeld. Onder 4.1.4 heeft de Raad al overwogen dat en waarom appellanten niet in deze stelling kunnen worden gevolgd. Waar genoemd bedrag precies terecht is gekomen, is en blijft onduidelijk. In ieder geval maken de schriftelijke en mondelinge verklaringen van de broers en zussen van appellant niet aannemelijk dat zij en appellant zelf ieder een deel van dat bedrag in handen hebben gekregen. Objectieve en verifieerbare gegevens daaromtrent zijn niet voorhanden. Ook anderszins hebben appellanten niet inzichtelijk gemaakt dat, en - zo ja - op welke wijze, het bedrag van € 156.770,-- is besteed. Dat diverse instanties, waaronder de Belastingdienst, appellanten niet als vermogend hebben beschouwd, doet hier niet aan af. Zo blijkt bijvoorbeeld uit de eerdergenoemde brief van de Belastingdienst dat is afgegaan op de opgave van appellanten zelf.

4.2.3. Uit hetgeen onder 4.2.2 is overwogen volgt dat appellanten niet in de op hen rustende, onder 4.2.1 omschreven, bewijslast zijn geslaagd. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat het College de aanvragen om algemene bijstand van appellanten van 10 april 2006 en 20 december 2006 terecht heeft afgewezen.

4.3. De afwijzing van de aanvragen om bijzondere bijstand van 28 december 2006 en 15 januari 2007.

4.3.1. Gelet op de omstandigheid dat, zoals onder 4.2.2 is overwogen, appellanten niet inzichtelijk hebben gemaakt dat, en - zo ja - op welke wijze, het op 27 januari 2006 opgenomen bedrag van € 156.770,-- is besteed, kan ten tijde hier van belang het recht op (bijzondere) bijstand niet worden vastgesteld. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat het College ook de aanvragen om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen.

4.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten, moeten worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak 1;

Bevestigt de aangevallen uitspraak 2, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en C. van Viegen en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2010.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) R. Scheffer.

AV