Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2066

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
23-07-2010
Zaaknummer
09-2957 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat het besluit van 6 november 2007 in overeenstemming met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht zorgvuldig is voorbereid en overeenkomstig artikel 7:12 van die wet is voorzien van een deugdelijke motivering. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2957 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 april 2009, 08/2776 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 21 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Ooms. Voor betrokkene is verschenen mr. P.J. van der Meulen, advocaat.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene was voor 30 uur per week in loondienst werkzaam als assemblagemedewerkster. Het dienstverband is met ingang van 1 maart 2007 ontbonden. Op 15 februari 2006 heeft betrokkene zich ziek gemeld in verband met lage rugklachten. Bij besluit van 8 juni 2007 is betrokkene per 15 juni 2007 geschikt geacht voor het verrichten van haar arbeid. Dit besluit is genomen na een onderzoek door de verzekeringsgeneeskundige van appellant, P. Lezaire. Het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 8 juni 2007, is bij besluit van 6 november 2007 ongegrond verklaard. Het besluit van 6 november 2007 rust op een heronderzoek door bezwaarverzekeringsarts L.T.M. Lenders.

2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 6 november 2007 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Voorts heeft zij appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van betrokkene met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Naar aanleiding van in eerste aanleg in het geding gebrachte stukken heeft de rechtbank overwogen dat in april 2008 aan de hand van een MRI is vastgesteld dat er bij betrokkene sprake is van een grote hernia. Volgens de behandelend arts past dit bij de pijnklachten in verband met ischialgie links. Naar het oordeel van de rechtbank is door de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende gemotiveerd dat hiervan niet reeds sprake was ten tijde van de datum die in dit geding van belang is. De rechtbank heeft voorts overwogen dat zonder nadere informatie in te winnen bij de behandelend arts niet valt uit te sluiten dat de hernia eerder wellicht niet of niet goed zichtbaar is geweest. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het besluit van 6 november 2007 een deugdelijke motivering ontbeert.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat het besluit van 6 november 2007 op deugdelijke wijze is gemotiveerd. Daarbij heeft appellant verwezen naar het rapport van 11 juni 2007 van verzekeringsarts Lezaire, de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts Lenders van 31 oktober 2007 en 5 februari 2009 en diens in hoger beroep overgelegde rapport van 26 mei 2009. Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad volgt betrokkene niet in haar ter zitting ingenomen standpunt dat appellant een onjuiste maatstaf arbeid heeft toegepast doordat het is uitgegaan van een onjuiste omvang van de door betrokkene verrichte arbeid. Uit het rapport van 31 oktober 2007 van bezwaarverzekeringsarts Lenders blijkt dat deze terecht is uitgegaan van een omvang van betrokkenes arbeid van 30 uur per week.

4.2. Appellants stelling dat de rechtbank zich ten onrechte een medisch oordeel heeft aangemeten kan niet kan leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, reeds omdat die stelling berust op een onjuiste lezing van die uitspraak.

4.3. Appellant heeft terecht naar voren gebracht dat de verzekeringsarts die betrokkene op 11 juni 2007 heeft onderzocht, geen ernstige belemmeringen in de rugfunctie heeft geobjectiveerd. Ook in het onderzoek door bezwaarverzekeringsarts Lenders op 1 oktober 2007 bleek objectief een normale, niet significant beperkte rugfunctie en er was geen aanwijzing voor wortelcompressie door een ruimte innemend proces zoals een HNP. Uit stukken afkomstig van de zogenoemde behandelend sector is voorts gebleken dat bij orthopedisch onderzoek in juli 2007 geen sprake was van inklemming van, of anderszins druk op de zenuwwortels. In een brief van 11 juli 2007 van de orthopedisch chirurg P.A.M.C. Druyts is bevestigd dat er bij lichamelijk onderzoek sprake is van een vrij soepele rugfunctie zonder afwijkingen. Volgens die brief blijkt bij röntgenonderzoek opnieuw het laag lumbaal degeneratief lijden, dat al bekend was uit de voorgeschiedenis. In zijn rapport van 26 mei 2009 heeft bezwaarverzekeringsarts Lenders daaruit de conclusie getrokken dat bij specialistisch onderzoek in juli 2007 de bevindingen niet anders waren dan die van de verzekeringsarts bij het voorbereiden van het besluit van

8 juni 2007. Er bestond volgens de bezwaarverzekeringsarts dan ook geen aanleiding om in het kader van een heroverweging van de medische grondslag van het besluit van 8 juni 2007 aanvullende medische informatie bij derden op te vragen. In het MRI-onderzoek is blijkens brieven van 21 april 2008 van Druyts en orthopedisch chirurg F.B. Langius, sprake van een grote discushernia met sekwester op het niveau L4-L5 links paralateraal, die chirurgisch werd behandeld. Volgens Lenders blijkt betrokkene ergens tussen oktober 2007 en april 2008 een lumbale hernia te hebben ontwikkeld. Maar daaruit kan volgens Lenders niet de gevolgtrekking worden gemaakt, dat de zorgvuldig tot stand gekomen visie van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot de belastbaarheid van betrokkene in juni 2007 retrospectief als onjuist moet worden aangemerkt. Er bestond op de datum die in dit geding van belang is geen goede medische grond om betrokkene nog langer ongeschikt achten voor het volledig functioneren in de laatstelijk door haar verrichte arbeid. Op grond daarvan zijn volgens Lenders de bevindingen van de behandelend chirurgen, als neergelegd in hun brieven van 21 april 2008, geen aanleiding voor herziening van het eerder ingenomen verzekeringsgeneeskundig standpunt.

4.4. De Raad heeft geen aanleiding om appellant in dit standpunt niet te volgen. Het verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop het besluit van 6 november 2007 is gebaseerd is gevormd na eigen onderzoek van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts van de klachten van betrokkene. Deze artsen hebben de voorhanden informatie van de behandelend sector betrokken bij hun oordeelsvorming. Zij zijn tot de conclusie gekomen dat betrokkene lijdt aan chronische rugklachten maar dat die niet leiden tot functiebeperking. Uit de vermelde brieven van 21 april 2008 blijkt alleen dat die klachten tot een nadere diagnose van de behandelend sector hebben geleid, welke diagnose betrekking heeft op een klaarblijkelijk later tijdstip dan dat waarop het besluit van 8 juni 2008 betrekking heeft. Er blijkt echter niet uit dat twijfel gerechtvaardigd is aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts als neergelegd in zijn rapport van 31 oktober 2007 over de mate waarin betrokkene in staat was haar werk te verrichten op de datum die in dit geding van belang is. De Raad is dan ook van oordeel dat het besluit van 6 november 2007 in overeenstemming met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht zorgvuldig is voorbereid en overeenkomstig artikel 7:12 van die wet is voorzien van een deugdelijke motivering.

4.5. Dit betekent dat de rechtbank dat besluit ten onrechte heeft vernietigd. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 6 november 2007 ongegrond verklaren.

5. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 6 november 2007 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) A.L. de Gier

NW