Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2065

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
23-07-2010
Zaaknummer
09-6041 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering toe te kennen. Juistheid medische grondslag. Geen benoeming deskundige. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op enerzijds de belasting in die functies en anderzijds de ten aanzien van appellante aangenomen belastbaarheid voor arbeid (als neergelegd in de FML van 24 juni 2002), zijn voor appellante in medisch opzicht geschikt te achten. Overschrijding van de redelijke termijn is aan het Uwv toe te rekenen. Toekenning schadevergoeding. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6041 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 september 2009, 08/6037 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en de gronden van het hoger beroep aangevuld bij brieven van 24 november 2009 en 11 mei 2010.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2010. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.C. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft in april 2001 een aanvraag ingediend voor een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) in verband met het feit dat zij met ingang van 1 januari 2000 was uitgevallen voor haar werkzaamheden als directeur groot aandeelhouder van een winkel in buitensportartikelen. Voor die werkzaamheden was zij uitgevallen vanwege een veelheid aan klachten, waaronder oogklachten, klachten van maag, darmen en inwendige organen, duizeligheid, moeheid, huidklachten, hartkloppingen, lage bloeddruk en gynaecologische klachten.

1.2. Bij besluit van 21 februari 2002 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 8 januari 2003 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 januari 2004 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 8 januari 2003 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2002 met inachtneming van haar uitspraak.

1.3. Bij besluit van 12 december 2005 heeft het Uwv wederom de door appellante aangevraagde WAZ-uitkering geweigerd. Bij besluit van 4 juli 2006 heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 14 maart 2007 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 juli 2006 gegrond verklaard, het arbeidskundige deel van bedoeld besluit vernietigd en het Uwv opgedragen, voor zover bedoeld besluit is vernietigd, een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Voorts heeft zij beslissingen gegeven ter zake van proceskosten en griffierecht.

1.4. Bij besluit van 7 november 2008 heeft het Uwv wederom geweigerd aan appellante met ingang van 30 december 2000 een WAZ-uitkering toe te kennen. Appellante heeft ook tegen dit besluit weer beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 november 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat, gelet op de eerdere, onherroepelijk geworden uitspraak van 14 maart 2007, moet worden uitgegaan van de medische beperkingen, zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 juni 2002. Wat het arbeidskundig aspect van het besluit van 7 november 2008 betreft, heeft de rechtbank overwogen dat het feit dat van de zijde van het Uwv geen contact is opgenomen met psychiater J.D.J. Tilanus, die op 4 juni 2002 over de psychische gezondheidstoestand van appellante aan het Uwv een expertiserapport heeft uitgebracht, niet meebrengt dat het arbeidskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest. Anders dan in 2002 aan de orde was (toen het ging om de vraag of appellante geschikt was voor haar eigen werkzaamheden), ligt aan het arbeidskundig onderzoek thans de opvatting ten grondslag dat appellante in medisch opzicht geschikt is voor de aan haar voorgehouden functies inpakker (handmatig) (SBC-code 111190), huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) en keukenhulp (SBC-code 111331). De rechtbank heeft als haar oordeel te kennen gegeven dat de belasting in die functies niet de medische beperkingen van appellante overschrijdt.

3. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat het geschil over de door haar aangevraagde WAZ-uitkering nu al negen jaar loopt, dat zij twee keer door de rechtbank in het gelijk is gesteld en dat deze zaak haar het plezier in het leven vergalt. Zij heeft voorts gesteld dat het Uwv de klachten, zoals die in 2000 aanwezig waren, nooit ten volle heeft willen erkennen en ze heeft in verband daarmee de Raad verzocht alsnog een deskundige te benoemen die haar beperkingen in kaart kan brengen.

4. Het Uwv heeft in het verweerschrift gewezen op de in zijn ogen beperkte omvang van het thans aanhangige hoger beroep en heeft, stellende dat er geen gronden in hoger beroep zijn aangevoerd tegen het arbeidskundige aspect van het bestreden besluit, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag als volgt.

5.1. De Raad overweegt dat in de uitspraak van de rechtbank van 14 maart 2007 de beroepsgronden van appellante met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. In dit verband is door de rechtbank in de uitspraak van 14 maart 2007 onder 2.5.1 overwogen: “Het bovenstaande brengt mee dat de medische grondslag waarop het bestreden besluit berust in rechte stand houdt.” en onder 2.8: “De medische kant van de schatting kan naar het oordeel van de rechtbank standhouden. Wanneer eiseres zich niet met dit oordeel van de rechtbank kan verenigen, kan zij hoger beroep instellen bij de CRvB.” Dit betekent dat, nu appellante tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, volgens vaste rechtspraak van de Raad - verwezen wordt bijvoorbeeld naar de uitspraak van

1 maart 2005, LJN AT0711 - van de juistheid van die medische grondslag moet worden uitgegaan en dat die beroepsgronden in de daarop volgende rechterlijke procedure in beginsel niet opnieuw aan de orde kunnen komen. De rechtbank heeft, gelet op hetgeen was aangevoerd, op goede gronden te kennen gegeven dat door haar alleen het arbeidskundig aspect van het bestreden besluit beoordeeld diende te worden. Dit brengt voorts mee dat ook de Raad niet meer inhoudelijk kan ingaan op de in hoger beroep aangevoerde gronden tegen de medische grondslag van het bestreden besluit en tevens dat er geen aanleiding is om alsnog een deskundige te benoemen voor het doen verrichten van een nader medisch onderzoek.

5.2. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat de aan de onderhavige schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op enerzijds de belasting in die functies en anderzijds de ten aanzien van appellante aangenomen belastbaarheid voor arbeid (als neergelegd in de FML van 24 juni 2002), voor appellante in medisch opzicht geschikt zijn te achten.

5.3.1. Ter zitting van de Raad is van de zijde van het Uwv desgevraagd te kennen gegeven dat de beroepsgrond van appellante over de lange duur van het geschil dient te worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ter zake overweegt de Raad als volgt.

5.3.2. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellante, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren komt.

5.3.3. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 5.3.2 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

5.3.4. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 15 april 2009 (LJN BI2044) is de Raad van oordeel dat in een geval als dit, waarin een vernietiging door de rechtbank van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een herhaalde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee de behandelingsduur is overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan maar voor rekening van de Staat (het ministerie van Justitie).

5.3.5. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 20 maart 2002 van het eerste bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn acht jaar en ongeveer vier maanden verstreken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is derhalve met vier jaar en ongeveer vier maanden overschreden. De Raad stelt vast dat de behandeling door de rechtbank telkens minder dan anderhalf jaar heeft geduurd en de behandeling bij de Raad binnen de termijn van twee jaar is gebleven. Hieruit volgt dat de gehele overschrijding van de redelijke termijn aan het Uwv is toe te rekenen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, is niet gebleken. De door appellante geleden immateriële schade moet worden begroot op 9 maal € 500,-, dat is € 4.500,-.

5.3.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep gegrond zal verklaren, het bestreden besluit zal vernietigen, de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand zal laten en het Uwv zal veroordelen tot schadevergoeding van € 4.500,-.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep, die worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in hoger beroep is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 7 november 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 4.500,-;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van

€ 644,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 149,- (€ 39,- en € 110,-) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.A. van Amerongen.

RK