Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2061

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
08-7066 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2006 heeft het Uwv geweigerd de werkneemster ingaande 12 september 2005 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat zij recht heeft op loondoorbetaling van betrokkene nu er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap of bevalling als bedoeld in artikel 29a, vierde lid, van de ZW. De Raad begrijpt dat de bevalling en de daarbij optredende complicaties als een indringende gebeurtenis - volgens de bezwaarverzekeringsarts als luxerend moment- heeft gewerkt. Naar het oordeel van de Raad volgt hieruit dat deze gecompliceerde bevalling iets anders aan het licht heeft gebracht wat tot de - en daarmee volgens de bezwaarverzekeringsarts: indirect aan de bevalling gerelateerde - psychische klachten heeft geleid. Het voorgaande leidt de Raad evenwel niet tot de conclusie dat er een causaal verband als bedoeld in artikel 29a, vierde lid, van de ZW bestaat tussen de complicaties na de bevalling en de psychische klachten die daarna zijn ontstaan. In de brief van 25 januari 2007 heeft de behandelend psychiater van werkneemster vermeld dat er sprake is van een (bevallingsgerelateerde) PTSS na een gecompliceerd kraambed. Daarnaast heeft de psychiater vermeld dat er in de persoonlijkheid van werkneemster trekken zijn van een obsessief-compulsieve persoonlijkheid. De Raad ziet in deze brief onvoldoende objectieve gegevens om het oordeel van de rechtbank te kunnen dragen dat er sprake is van causaal verband tussen de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster en de gecompliceerde bevalling. De Raad is voorts anders dan de rechtbank tevens van oordeel dat de opmerking van de psychiater, dat de werkneemster een blanco psychiatrische voorgeschiedenis heeft, in het kader van de vraag naar de causaliteit met de – door het Uwv niet betwiste - PTSS niet van doorslaggevend gewicht kan worden geacht. De Raad onderschrijft in dezen het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 11 november 2008 dat een PTSS kan ontstaan na een psychotrauma, ongeacht of er wel of geen voorgeschiedenis is. De Raad komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak, zij het onder verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 29a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7066 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 4 november 2008, 07/3326 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

Stichting Ziekenhuis Lievensberg, te Bergen op Zoom (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 21 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2010. Appellant was vertegenwoordigd door mr. W.P.F. Oosterbos.

Betrokkene was vertegenwoordigd door mr. H.E. Goedegebuur, advocaat te Bergen op Zoom. Voor betrokkene was tevens verschenen [J.].

II. OVERWEGINGEN

1.1. De voormalig werkneemster van betrokkene, [naam werkneemster 1] (werkneemster) is bij betrokkene werkzaam geweest als verpleegkundige. Op 2 juli 2005 is zij bevallen van haar tweede kind. De laatste dag van haar bevallingsverlof was 11 september 2005. Aansluitend heeft zij nog een maand onbetaald verlof opgenomen. Op 10 oktober 2005 heeft zij haar werkzaamheden hervat waarbij zij na één dag is uitgevallen wegens psychische klachten.

1.2. Bij besluit van 22 november 2006 heeft het Uwv geweigerd de werkneemster ingaande 12 september 2005 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat zij recht heeft op loondoorbetaling van betrokkene nu er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap of bevalling als bedoeld in artikel 29a, vierde lid, van de ZW.

1.3. Bij besluit van 6 juli 2007 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd onder opdracht aan appellant een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen, die ten grondslag hebben gelegen aan het bestreden besluit, onvoldoende aannemelijk is geworden. De rechtbank heeft geen reden gezien voor twijfel aan het standpunt van de behandelend psychiater van werkneemster, [werkneemster 2] zoals verwoord in de brief van 25 januari 2007, dat de psychische problemen in dit geval een gevolg zijn geweest van de bevalling. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze informatie in voldoende mate dat er een causaal verband bestaat tussen de complicaties na de bevalling en de psychische klachten die daarna zijn ontstaan.

3. In hoger beroep heeft appellant zich onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts op het standpunt gesteld dat van causaliteit met de zwangerschap en bevalling geen sprake is.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 28 juni 2007 het volgende vermeld:

“Uit het dossier is op te maken dat cliënt een gecompliceerd kraambed doormaakte in de zin dat haar pasgeborene een asfyxie had en cliënt een manuele placenta verwijdering moest ondergaan. Cliënt heeft de bevalling en post partum beloop als beangstigend ervaren. Aansluitend heeft zij angstklachten ontwikkeld welke later geduid zijn als een bevallingsgerelateerde PTSS. Dit blijkt uit de brief van de psychiater.

De gecompliceerde bevalling kan hierbij als luxerend moment gezien worden, als een indringende gebeurtenis in het leven van cliënt waarop zij heeft gereageerd heeft met het ontwikkelen van psychische klachten. Het aldus ontstane toestandsbeeld is echter niet in directe zin een gevolg van de zwangerschap/bevalling. Enig ander life event plaatsvindend in deze periode zou een soortgelijke ontwikkeling van ptss klachten hebben doen uitlokken. In dit opzicht ontbreekt een direct patho-fysiologisch mechanisme waaruit een directe relatie te leggen is van specifiek zwangerschaps-bevallingsgerelateerde pathologie en het ontstaan van de klachten. Evident is dat de omstandigheden rondom de partus voor cliënt zeer belastend zijn geweest, doch vanuit patho-fysiologisch oogpunt is de relatie tussen deze omstandigheden en het ontstaan der klachten toch slechts als indirect aan te merken. Op grond van deze overwegingen is in strikte zin geen reden een relatie aan te nemen tussen arbeidsongeschiktheid en klachten t.g.v. zwangerschap en/of bevalling”.

In de rapportage van 7 augustus 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts het volgende vermeld:

“Kenmerk van een PTSS is dat dit een in zoverre aspecifieke benaming is dat het aangeeft dat een toestandsbeeld van psychische klachten betreft optredend na een trauma. Het trauma op zich kan echter van velerlei aard zijn(..).De gebeurtenis sec (bevalling) kan gezien worden als een diep ingrijpende gebeurtenis, als life event,.... Het is echter veel meer de relatie in de tijd welke waarschijnlijk maakt dat werkgever een relatie ziet tussen ziekte en arbeidsongeschiktheid t.g.v. zwangerschap/bevalling dan dat,.. daadwerkelijk een pathofysiologische basis bestaat op grond waarvan gesteld kan worden dat enkel en alleen gedurende de kraamperiode een dergelijk toestandsbeeld (PTTS) zich zou kunnen voordoen. Dit laatste is namelijk niet zo”.

In de rapportage van 11 november 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts nog het volgende aangegeven:

“Slechts gesteld wordt dat de PTTS bevallingsgerelateerd is.

Op zichzelf misschien niet onjuist doch bij ”beoordeling van arbeidsongeschiktheid tgv” is dit een aspecifieke benaming van een voorval welke zich heeft voorgedaan kort na de partus waarbij complicaties in somatische zin onlosmakelijk verbonden lijken te zijn met zwangerschap/bevalling,(..) doch de psychische verschijnselen hiervan slechts een afgeleide zijn en dus in indirecte zin een verband houden met deze somatische complicaties”

4.3. De Raad begrijpt de hiervoor weergegeven citaten aldus dat de bevalling en de daarbij optredende complicaties als een indringende gebeurtenis - volgens de bezwaarverzekeringsarts als luxerend moment- heeft gewerkt. Naar het oordeel van de Raad volgt hieruit dat deze gecompliceerde bevalling iets anders aan het licht heeft gebracht wat tot de - en daarmee volgens de bezwaarverzekeringsarts: indirect aan de bevalling gerelateerde - psychische klachten heeft geleid.

4.4. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellant ter zitting gesteld dat de bezwaarverzekeringsarts hierbij mogelijk heeft gedacht aan de complicaties die zich voordeden bij de eerste bevalling van de werkneemster. De Raad heeft hiervoor in de achtereenvolgende rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en in de overige gedingstukken echter geen aanknopingspunten kunnen vinden. Ook overigens heeft de bezwaarverzekeringsarts op geen enkele wijze duidelijk gemaakt welke reeds bestaande aandoening door de gecompliceerde bevalling is geluxeerd en of die mogelijk als oorzaak van de psychische klachten aangewezen kan worden.

Het standpunt van appellant dat er geen sprake is van causaliteit tussen de gecompliceerde bevalling en de psychische klachten is naar het oordeel van de Raad dan ook onvoldoende gemotiveerd.

5.1. Het voorgaande leidt de Raad evenwel niet tot de conclusie dat er een causaal verband als bedoeld in artikel 29a, vierde lid, van de ZW bestaat tussen de complicaties na de bevalling en de psychische klachten die daarna zijn ontstaan.

5.2. In de brief van 25 januari 2007 heeft de behandelend psychiater van werkneemster vermeld dat er sprake is van een (bevallingsgerelateerde) PTSS na een gecompliceerd kraambed. Daarnaast heeft de psychiater vermeld dat er in de persoonlijkheid van werkneemster trekken zijn van een obsessief-compulsieve persoonlijkheid. De Raad ziet in deze brief onvoldoende objectieve gegevens om het oordeel van de rechtbank te kunnen dragen dat er sprake is van causaal verband tussen de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster en de gecompliceerde bevalling. De Raad is voorts anders dan de rechtbank tevens van oordeel dat de opmerking van de psychiater, dat de werkneemster een blanco psychiatrische voorgeschiedenis heeft, in het kader van de vraag naar de causaliteit met de – door het Uwv niet betwiste - PTSS niet van doorslaggevend gewicht kan worden geacht. De Raad onderschrijft in dezen het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 11 november 2008 dat een PTSS kan ontstaan na een psychotrauma, ongeacht of er wel of geen voorgeschiedenis is.

5.3. De Raad komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak, zij het onder verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht termen aanwezig om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en € 37,-- aan reis- en verblijfkosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat het Uwv op het bezwaar dient te beslissen met inachtneming van de uitspraak van de Raad;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 681,--;

Bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 433,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) A.L. de Gier.

RK