Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2055

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
09-1222 Wajong
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong uitkering toe te kennen. Ook naar het oordeel van de Raad hebben de betrokken verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts met inachtneming van de beschikbare gegevens van de behandelend sector de gezondheidstoestand van appellante in de periode 1991 – 1992 op zorgvuldige wijze beoordeeld. Met name uit het journaal van de huisarts van 23 september 2007 blijkt dat eerst in 1993 sprake was van psychiatrische problematiek, die aanleiding gaf tot hulpverlening. Het standpunt van appellante vindt dan ook geen steun in de informatie uit de behandelend sector. De omstandigheid dat nadere medische gegevens uit de hier relevante periode ontbreken moet verder, in aanmerking genomen dat appellante haar aanvraag eerst meer dan 15 jaar nadien heeft ingediend, voor haar rekening en risico blijven. Dit in aanmerking genomen ziet de Raad geen grond om een medische deskundige advies te laten uitbrengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1222 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 9 januari 2009, 08/501 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2010.

Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, geboren [in] 1974, heeft op 4 juli 2007 bij het Uwv een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wet Wajong) en daarbij gesteld, dat zij vanaf haar 14e jaar psychische klachten heeft.

2. Bij besluit van 27 november 2007 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat haar geen uitkering ingevolge de Wet Wajong wordt toegekend, omdat zij vanaf 8 april 1991 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.

3. Bij besluit van 12 maart 2008 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 november 2007 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de gezondheidstoestand van appellante op

7 april 1992 en de daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van haar arbeidsvermogen niet onjuist ingeschat. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts genoegzaam heeft gemotiveerd dat in de periode van 1986 tot 1992, waarin de voor de Wet Wajong relevante periode tot einde wachttijd op 7 april 1992 is gelegen, niet is gebleken van intensieve psychosociale hulpverlening, terwijl appellante heeft gesteld eerst vanaf medio 1993 te zijn behandeld.

Bij gebreke aan medische gegevens van de behandelend sector uit de periode 1991 – 1992 heeft de rechtbank, in aanmerking genomen dat sindsdien ongeveer 17 jaar zijn verstreken, geen aanleiding gezien om een deskundige psychiater te benoemen om de gezondheidstoestand van appellante in haar 18e levensjaar te beoordelen.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. In het zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapport van 12 maart 2008 is met juistheid uiteengezet dat gelet op de datum van de onderhavige aanvraag en het overgangsrecht in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), de aanvraag van appellante moet worden beoordeeld aan de hand van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dit per 1 oktober 2004 is komen te luiden.

5.2. De Raad verenigt zich verder met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad hebben de betrokken verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts met inachtneming van de beschikbare gegevens van de behandelend sector de gezondheidstoestand van appellante in de periode 1991 – 1992 op zorgvuldige wijze beoordeeld. Met name uit het journaal van de huisarts van 23 september 2007 blijkt dat eerst in 1993 sprake was van psychiatrische problematiek, die aanleiding gaf tot hulpverlening. Het standpunt van appellante vindt dan ook geen steun in de informatie uit de behandelend sector. De omstandigheid dat nadere medische gegevens uit de hier relevante periode ontbreken moet verder, in aanmerking genomen dat appellante haar aanvraag eerst meer dan 15 jaar nadien heeft ingediend, voor haar rekening en risico blijven. Dit in aanmerking genomen ziet de Raad geen grond om een medische deskundige advies te laten uitbrengen.

5.3. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) D.E.P.M. Bary.

RK