Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2053

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
09-6547BESLU+09-6548BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending redelijke termijn. Namens de Staat is - kort weergegeven - erkend dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, in de rechterlijke fase is overschreden en dat betrokkene in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij is aangegeven dat een vergoeding van € 4.000,- redelijk kan worden geacht, welke vergoeding aan betrokkene zal worden betaald. De Raad ziet ten slotte aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 161,- voor verleende rechtsbijstand, te betalen door de Staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6547 BESLU + 09/6548 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het verzoek om schadevergoeding van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

met als partijen:

betrokkene

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat).

Datum uitspraak: 14 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2004, 02/5601 en 7 december 2005, 05/1183 in het geding tussen betrokkene en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Bij uitspraak van 6 januari 2010 (04/5085 + 06/590) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad de Staat (de minister van Justitie) aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft mr. P.H. Banda, werkzaam bij de Raad voor de Rechtspraak, in deze procedure een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Namens betrokkene heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, daarop schriftelijk gereageerd.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Namens de Staat is - kort weergegeven - erkend dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, in de rechterlijke fase is overschreden en dat betrokkene in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij is aangegeven dat een vergoeding van € 4.000,- redelijk kan worden geacht, welke vergoeding aan betrokkene zal worden betaald.

2. Betrokkene heeft hierop aangegeven zich met het door de Staat ingenomen standpunt te kunnen verenigen.

3. Gelet op het voorgaande ziet de Raad aanleiding de Staat te veroordelen tot vergoeding van immateriële schadevergoeding aan betrokkene ten bedrage van € 4.000,-.

4. De Raad ziet ten slotte aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 161,- voor verleende rechtsbijstand, te betalen door de Staat.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie) tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 4.000,-;

Veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie) in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 161,-.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) R.L. Venneman.

RK