Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2050

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
09-1173 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld ingevolge de ZW omdat appellante volledig geschikt wordt geacht voor haar laatst verrichte werk als filiaalmedewerkster. De klachten en belemmeringen die zij ondervindt zijn niet gebonden aan een specifiek ziektebeeld maar aan in de leefsituatie gelegen problematiek. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Appellante heeft in beroep en in hoger beroep geen nieuwe nog niet eerder bij het Uwv bekende medische informatie overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1173 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2009, 08/463 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2010. Appellante is, met berichtgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, voorheen werkzaam als filiaalmedewerkster in een supermarkt, heeft zich per 23 december 2006 ziek gemeld met heupklachten en spanningsklachten. Het Uwv heeft haar met ingang van deze datum een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Vervolgens heeft appellante enkele malen het spreekuur van de verzekeringsarts E. Tolsma bezocht, voor het laatst op 20 september 2007. Deze arts is – na onderzoek – tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 24 september 2007 volledig geschikt is voor haar laatst verrichte werk als filiaalmedewerkster. Bij besluit van 21 september 2007 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij dienovereenkomstig met ingang van 24 september 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Bij besluit van 21 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 september 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat haar huisarts een andere mening heeft over haar ziektebeeld dan de (bezwaar)verzekeringsarts. Er is te gemakkelijk de conclusie getrokken dat zij in staat is om de werkzaamheden als filiaalmedewerkster in een supermarkt te kunnen uitvoeren. Deze heeft zij slechts met moeite kunnen verrichten en alleen omdat zij in zodanige financiële problemen verkeerde dat zij hiervoor geen andere oplossing zag, aldus appellante.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtsreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Daartoe overweegt de Raad dat de verzekeringsarts Tolsma appellante lichamelijk en psychisch heeft onderzocht, waarbij hij op de hoogte was van de operatie aan de baarmoedermond op 27 augustus 2007 en haar erfelijke aandoening hypercholesterolemie. Volgens de verzekeringsarts leiden de nog altijd door appellante ervaren somatische klachten niet tot structurele beperkingen en komen de psychische klachten hoofdzakelijk voort uit sociale problematiek. De klachten en belemmeringen zijn niet gebonden aan een specifiek ziektebeeld maar aan in de leefsituatie gelegen problematiek. Er is dan ook geen enkel medisch argument om te veronderstellen dat appellante niet haar werk als filiaalmedewerkster in een supermarkt zou kunnen verrichten, aldus Tolsma. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts Koek – zoals in haar rapportage van 20 december 2007 is aangegeven – dossierstudie verricht, appellant op het spreekuur van 11 december 2007 geobserveerd en de informatie van de huisarts van 20 september en 8 oktober 2007 bij de beoordeling meegewogen. Hoewel de huisarts heeft aangegeven dat appellante voorlopig niet in staat is tot het verrichten van werk gelet op haar abominabele omstandigheden waarin zij verkeert, heeft de bezwaarverzekeringsarts Koek overwogen dat de klachten van appellante – zoals ze ook zelf heeft bevestigd – al jaren bestaan en niet zijn gewijzigd ten opzichte van eerdere berichtgevingen. Nu appellante met deze klachten zes maanden heeft gewerkt zonder al te veel verzuim, kan zij volgens Koek derhalve in staat worden geacht de functie van filiaalmedewerkster in een supermarkt te verrichten. Vorenstaande in aanmerking nemend en gelet op de omstandigheid dat appellante in beroep en in hoger beroep geen nieuwe nog niet eerder bij het Uwv bekende medische informatie heeft overgelegd, ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts.

4.4. Hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellante met ingang van 24 september 2007 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) D.E.P.M. Bary.

RK