Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1958

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
08-4374 WAO-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. De Raad draagt het Uwv op binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4374 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 juni 2008, 06/1974 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 14 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en ter ondersteuning daarvan een rapport van 22 juli 2008 van bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn en een rapport van de psychiater mr. drs. J. Groenendijk van 4 juni 2008 ingezonden.

De Raad heeft aanleiding gezien dr. A.J.W.M. Trompenaars, psychiater, te benoemen als deskundige teneinde een onderzoek in te stellen naar de psychische gezondheidstoestand van betrokkene. Op 27 september 2009 heeft de deskundige van zijn bevindingen rapport uitgebracht.

Appellant heeft door inzending van een commentaar van Van Duijn van 5 oktober 2009 hierop gereageerd.

Bij rapport van 6 november 2009 heeft deskundige Trompenaars op het commentaar van Van Duijn gereageerd.

Appellant heeft op 27 januari 2010 een nader commentaar van Van Duijn van 6 januari 2010 ingezonden alsmede een rapport van Groenendijk van 7 januari 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.C. Determan. Namens betrokkene is verschenen mr. O. Huisman, advocaat.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene ontving sedert 1990 met onderbrekingen een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 17 augustus 2005 heeft appellant de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 17 oktober 2005 ingetrokken, omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 10 februari 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen; tevens heeft de rechtbank beslissingen geven over vergoeding van griffierecht en veroordeling in de proceskosten. Met verwijzing naar het rapport van 19 juli 2007 van de door haar als deskundige geraadpleegde psychiater J.M. Oolders heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt onzorgvuldig is geweest.

3.1. Appellant kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte haar deskundige heeft gevolgd.

3.2. Betrokkene heeft het oordeel van de rechtbank onderschreven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat appellant ter zitting nog een rapport van 1 juni 2010 van een bezwaararbeidsdeskundige heeft overlegd, derhalve met overschrijding van de termijn van tien dagen als bedoeld in artikel 8:58 van de Awb. Nu de gemachtigde van betrokkene desgevraagd heeft verklaard bezwaar te hebben tegen het bij de behandeling betrekken van dit rapport, heeft de Raad aanleiding gezien om dit rapport buiten beschouwing te laten.

4.2.1. Wat betreft de medische beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene met ingang van 17 oktober 2005 stelt de Raad voorop dat in zijn vaste jurisprudentie het uitgangspunt besloten ligt dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Dit kan onder meer anders zijn als zich de bijzondere situatie voordoet dat uit de reactie van die deskundige op een andersluidend oordeel van een door een partij geraadpleegde deskundige moet worden afgeleid dat de door de rechter ingeschakelde deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 oktober 2002, LJN AF4022.

4.2.2. De door de rechtbank ingeschakelde deskundige Oolders heeft in zijn rapport van 19 juli 2007 geconcludeerd dat op de datum in geding de diagnose recidiverende depressieve stoornis op betrokkene van toepassing is. Oolders kan zich niet geheel verenigen met de door een verzekeringsarts vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) wat betreft het persoonlijk en sociaal functioneren (met name ten aanzien van de aspecten aandacht en concentratie). Bovendien acht hij de duur van de belastbaarheid van betrokkene zeker als verminderd te beschouwen en is hij het derhalve oneens met het ontbreken van een urenbeperking. De inschatting van de arbeidsmogelijkheden van betrokkene acht hij wat te rooskleurig.

4.2.3. In hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad aanleiding gezien commentaar te vragen aan de deskundige Oolders. Oolders heeft meegedeeld zijn werkzaamheden als deskundige te hebben neergelegd. De Raad heeft vervolgens de deskundige Trompenaars verzocht een onderzoek in te stellen naar de belastbaarheid van betrokkene. In zijn in rubriek I vermelde rapport van 27 september 2009 heeft Trompenaars zich op het standpunt gesteld dat bij betrokkene thans sprake is van een ernstig geagiteerd dysthym beeld met psychotische excursies. Afgaande op de

hetero-anamnestische gegevens van de echtgenote van betrokkene en van zijn dochter zijn er, aldus Trompenaars, aanwijzingen dat er ook op de datum in geding reeds sprake was van een (ernstig) geagiteerd dysthym beeld. Trompenaars heeft te kennen gegeven de vraag omtrent de FML niet te kunnen beantwoorden gezien de sterke beperkingen van het onderzoek.

4.2.4. Na kritiek van bezwaarverzekeringsarts Van Duijn heeft Trompenaars zijn standpunt bij zijn in rubriek I vermeld schrijven van 6 november 2009 gehandhaafd. Trompenaars heeft te kennen gegeven dat uit de ter beschikking gestelde stukken naar voren komt dat betrokkene reeds geruime tijd depressief is en tenminste sedert 1995 kampt met psychische problematiek. Ter ondersteuning van zijn advies heeft hij gewezen op de bevindingen van de in eerdere procedures met betrekking tot de aanspraken van betrokkene op een WAO-uitkering geraadpleegde deskundigen, de bevindingen van de sedert 1995 behandelende psychiater alsmede op de resultaten van het op verzoek van betrokkene in juni 2006 uitgebrachte expertiserapport van psychiater V.M. Artist. Voorts heeft hij te kennen gegeven zich niet te kunnen vinden in de conclusies van psychiater Groenendijk, die door het Uwv is geraadpleegd in het kader van aanspraken van appellant op een WAO-uitkering per 22 februari 2007. Trompenaars heeft daarbij aangetekend dat ook Groenendijk haar conclusies mede baseert op de familieanamnese.

4.2.5. De Raad is van oordeel dat de deskundige Trompenaars, die de beschikking heeft gehad over alle in geding zijnde medische gegevens, op zorgvuldige wijze een onderzoek heeft ingesteld en daarvan op inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan. Voorts heeft Trompenaars na kritiek van Van Duijn zijn standpunt uitvoerig en naar behoren gemotiveerd gehandhaafd. De omstandigheid dat Trompenaars niet alle hem voorgelegde vragen heeft beantwoord, heeft de Raad niet tot de conclusie geleid dat aan de bevindingen van deze deskundige geen betekenis kan worden toegekend. De Raad wijst er in dit verband op dat de deskundige Oolders wel alle hem voorgelegde vragen, die vergelijkbaar zijn met de aan Trompenaars voorgelegde vragen, heeft beantwoord. De Raad heeft verder vastgesteld dat de bevindingen van Trompenaars in het verlengde liggen van die van Oolders en steun vinden in die van de behandelend psychiater alsmede van het op verzoek van betrokkene uitgebrachte expertiserapport van psychiater Artist.

4.2.6. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding heeft gevonden om met betrekking tot het oordeel van de deskundige Trompenaars af te wijken van het uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd.

4.3. Uit hetgeen is overwogen in 4.2.1 tot en met 4.2.6 volgt dat het bestreden besluit niet berust op een juiste medische grondslag. Dit leidt tevens tot de conclusie dat ook met betrekking tot de arbeidskundige grondslag sprake is van gebreken.

5. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen. Gelet op het hiervoor weergegeven oordeel van de Raad dient het Uwv een FML per de datum in geding, 17 oktober 2005, op te stellen die in overeenstemming is met de conclusies en bevindingen van de deskundige Trompenaars. Voorts dient het Uwv functies te selecteren die voor betrokkene gelet op deze FML geschikt moeten worden geacht en dient de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 17 oktober 2005 opnieuw te worden bepaald.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt het Uwv op binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) D.E.P.M. Bary.

RK