Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1955

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
09-3448 CSV
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BP8988
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 30 mei 2008 heeft het Uwv aan appellante correctienota’s over de jaren 2003 tot en met 2005 opgelegd en een boetenota over het jaar 2003. Bij besluit van 19 september 2008 heeft het Uwv het bezwaar tegen de correctienota’s over de jaren 2003 tot en met 2005 gegrond verklaard, voor zover dit de hoogte van de correcties betreft en voor het overige ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen de boetenota over het jaar 2003 heeft het Uwv ongegrond verklaard. De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank dat er tussen appellante en de betrokken prostituees sprake is geweest van een tot verzekeringsplicht leidende privaatrechtelijke dienstbetrekking in de jaren hier in geding. Ten aanzien van de gestelde feitelijke onjuistheden in het rapport van 6 november 2007 van de Belastingdienst merkt de Raad overigens op dat het Uwv hiermee rekening heeft gehouden. Deze onjuistheden hebben geleid tot een neerwaartse bijstelling van de correctienota’s in bezwaar. Op grond van het vorenstaande heeft het Uwv terecht verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de werknemersverzekeringswetten aangenomen. Het hoger beroep van appellante kan derhalve niet slagen zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3448 CSV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 mei 2009, 08/4997 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2010. Voor appellante is verschenen dr. D.J.P.M. Vermunt, advocaat te Arnhem. Het Uwv heeft zich, na voorafgaand schriftelijk bericht, niet doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de wetgeving zoals die luidde ten tijde hier van belang.

1.1. Uit het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Limburg blijkt dat appellante zich per 1 januari 1998 als eenmanszaak onder de handelsnaam [handelsnaam] heeft gevestigd, met als bedrijfsomschrijving: Horeca. Op grond van onderzoek van de Belastingdienst Limburg / kantoor Venlo, waarvan rapport van 6 november 2007, is vastgesteld dat de bij appellante werkzame prostituees werkzaam waren in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Naar aanleiding van de controle en bevindingen van de Belastingdienst heeft het Uwv de correcties voor de werknemersverzekeringen bepaald en vastgelegd in het rapport van 20 maart 2008. Op 30 mei 2008 heeft het Uwv aan appellante correctienota’s over de jaren 2003 tot en met 2005 opgelegd en een boetenota over het jaar 2003. Bij besluit van 19 september 2008 heeft het Uwv het bezwaar tegen de correctienota’s over de jaren 2003 tot en met 2005 gegrond verklaard, voor zover dit de hoogte van de correcties betreft en voor het overige ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen de boetenota over het jaar 2003 heeft het Uwv ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 19 september 2008 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante de juistheid van de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

4. De Raad komt met betrekking tot de aangevallen uitspraak tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank dat er tussen appellante en de betrokken prostituees sprake is geweest van een tot verzekeringsplicht leidende privaatrechtelijke dienstbetrekking in de jaren hier in geding.

4.1.1. Aan de onderzoeksresultaten ontleent de Raad onder meer de volgende feitelijke gegevens over de bedrijfsvoering. De prostituees waren werkzaam in een bedrijfspand van appellante en appellante was afhankelijk van de inkomsten van de prostituees en van de baromzet. Appellante maakte nieuwe prostituees bekend met de geldende huisregels opgesteld ten aanzien van het ontvangen van klanten, het voorstellen van prostituees bij binnenkomst van klanten, eventuele klachtenbehandeling, gedragsregels, het gebruik van de kamers, de keuken en het verzorgen van de was. Hoewel er geen sancties op het niet nakomen van de regels stonden werd onbehoorlijk gedrag beboet met verwijdering uit de club. Appellante stelde de prijs voor de kamer vast en de prijslijst is op enig moment zichtbaar opgehangen. De toelichting op de prijzen aan de klanten werd door appellante verstrekt en ter zake van de dienstverlening werd vooraf betaald aan appellante, die na sluitingstijd afrekende met de prostituees op basis van de overeengekomen kamerhuur inclusief gebruik van faciliteiten. Dat de prostituees vrij waren in hun feitelijke taakvervulling en het bedingen van hun zelf begunstigde bijkomende condities binnenskamers, laat onverlet dat zij toch telkens wanneer zij werkzaam waren zich hielden aan de hierboven vermelde algemene regulering en wijze van uitvoering onder toezicht van appellante. Ook de controle van nationaliteit en meerderjarigheid van de prostituees door appellante, en zeker ook de omstandigheid dat de vergunning tot exploitatie op naam van appellante stond, acht de Raad van betekenis. Hiermee acht de Raad een gezagsrelatie zoals vereist voor een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten tussen appellante en de prostituees genoegzaam gegeven.

4.1.2. Mede tegen de achtergrond van het voorgaande moet tevens worden aangenomen dat is voldaan aan het vereiste van persoonlijke dienstverrichting op de tussen appellante en de prostituees overeengekomen werktijden. In dit verband leidt de Raad uit de onderzoeksbevindingen af dat de prostituees zich ook niet zonder overleg met appellante konden laten vervangen door een ander.

4.1.3. Gelet op de afspraken tussen appellante en de prostituees hieromtrent, was tevens sprake van een vergoeding die moet worden beschouwd als een tegenprestatie voor de verrichte arbeid en om die reden als loon was aan te merken.

4.2. De stelling van appellante dat het Uwv zich niet op het rapport van 6 november 2007 van de Belastingdienst heeft mogen baseren nu dat rapport onderwerp is geweest van een bezwaarprocedure tegen de (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting - premie volksverzekeringen en Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 2002 tot en met 2005, in welke procedure de Belastingdienst tegemoet is gekomen aan het bezwaar van appellante, kan de Raad niet volgen. De in het rapport van de Belastingdienst van 6 november 2007 vermelde conclusie laat er geen misverstand over bestaan dat appellante op grond van de bevindingen wordt aangemerkt als inhoudingsplichtige voor de loonbelasting. De omstandigheid dat de Belastingdienst in bezwaar de (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting - premie volksverzekeringen en Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 2002 tot en met 2005 niet heeft gehandhaafd, levert op zichzelf geen grond op om het daaraan voorafgaande onderzoek als onzorgvuldig aan te merken. Temeer niet nu uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de Belastingdienst is teruggekomen van de in het rapport vermelde bevindingen en de daaruit getrokken conclusies.

4.2.1. Ten aanzien van de gestelde feitelijke onjuistheden in het rapport van 6 november 2007 van de Belastingdienst merkt de Raad overigens op dat het Uwv hiermee rekening heeft gehouden. Deze onjuistheden hebben geleid tot een neerwaartse bijstelling van de correctienota’s in bezwaar.

4.2.2. Naast de door de rechtbank gememoreerde eigen verantwoordelijkheid van het Uwv met betrekking tot de vaststelling van de verzekeringsplicht is met hiervoor onder 4.2 overwogene tevens gegeven dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door het verzoek van appellante om de bezwaarprocedure aan te houden totdat door de Belastingdienst op het bezwaar is beslist, af te wijzen.

4.3. Op grond van het vorenstaande heeft het Uwv terecht verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de werknemersverzekeringswetten aangenomen. Het hoger beroep van appellante kan derhalve niet slagen zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip werknemer.

SG