Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1845

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
09-5921 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering.Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant niet voldoet aan de criteria voor het aannemen van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen. De Raad verenigt zich met deze conclusie. Wat betreft de nek- en rugklachten heeft de bezwaarverzekeringsarts de belastbaarheid aangescherpt en overwogen dat er geen reden is meer nekbeperkingen aan te nemen, aangezien geen sprake is van een ernstig radiculair beeld. Voorts zijn beperkingen gesteld in verband met hartklachten en hyperthyreoïdie. De bezwaarverzekeringsarts heeft overwogen dat deze hyperthyreoïdie zeer mild was en appellant goed op medicatie is ingesteld. . Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat de geschiktheid van de geselecteerde functies door de bezwaararbeidsdeskundige voldoende is toegelicht. De Raad is niet gebleken dat de belasting in de functies de belastbaarheid van betrokkene overschrijdt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant terecht in staat is geacht de geselecteerde functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5921 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 18 september 2009, 08/7939 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. de Boer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Boer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vork.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 16 maart 2006 is de uitkering uitbetaald naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% in verband met inkomsten als gemeenteraadslid.

1.2. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is door het Uwv herbeoordeeld. De verzekeringsarts heeft appellant op het spreekuur van 4 april 2008 onderzocht. De beperkingen van appellant zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant in staat moet worden geacht de door hem geselecteerde functies te vervullen en het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 3,65%. Het Uwv heeft bij besluit van 19 mei 2008 de uitkering van appellant per 16 juli 2008 ingetrokken, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.

2. De bezwaarverzekeringsarts heeft, na raadpleging van de behandelende neuroloog, cardioloog, internist en psychiater in bezwaar de FML aangescherpt. Meer beperkingen zijn aangenomen in verband met nek- en rugklachten alsmede psychische klachten. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant en het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 10,52%. Het bezwaar gericht tegen het besluit van 19 mei 2008 is bij besluit van 17 november 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. Geoordeeld is dat de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Voor de stelling dat de beperkingen zouden zijn onderschat heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien. De rechtbank acht niet aannemelijk dat appellant niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen. Een maatmanwisseling is naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat zijn beperkingen onvoldoende zijn onderkend en dat hij nauwelijks belastbaar is. Gesteld is dat de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan is aan de overgelegde informatie van de cardioloog. In hoger beroep heeft appellant nadere informatie overgelegd van de neuroloog en voorzitter Van Tellingen van de gemeenteraadsfractie van het CDA in Zaanstad waarvan appellant deel uitmaakte. Voorts is gesteld dat van een onjuist maatmaninkomen is uitgegaan.

4.2. Het Uwv heeft het ingenomen standpunt gehandhaafd en betoogd dat de door appellant overgelegde informatie niet tot een ander oordeel leidt.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant niet voldoet aan de criteria voor het aannemen van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen. De Raad verenigt zich met deze conclusie. Wat betreft de nek- en rugklachten heeft de bezwaarverzekeringsarts de belastbaarheid aangescherpt en overwogen dat er geen reden is meer nekbeperkingen aan te nemen, aangezien geen sprake is van een ernstig radiculair beeld. Voorts zijn beperkingen gesteld in verband met hartklachten en hyperthyreoïdie. De bezwaarverzekeringsarts heeft overwogen dat deze hyperthyreoïdie zeer mild was en appellant goed op medicatie is ingesteld.

5.2. Appellant heeft gewezen op informatie over zijn dagopname op 24 maart 2009 in verband met een hartcatheterisatie. De bezwaarverzekeringsarts heeft in een rapportage van 4 februari 2010 aangegeven dat deze informatie een later tijdstip betreft dan dat waarop het bestreden besluit betrekking heeft en voorts dat bij cardiologisch onderzoek geen duidelijke afwijkingen zijn gevonden.

5.3. Met betrekking tot de informatie van de neuroloog van 5 januari 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage gesteld dat deze niet tot een ander standpunt leidt. In de FML is voldoende rekening gehouden met de degeneratieve afwijkingen. Volgens de bezwaarverzekeringsarts was bekend dat appellant lijdt aan herniaklachten. Eerst geruime tijd na de datum in geding was sprake van toegenomen klachten. Op de datum in geding was geen sprake van een hernia die gepaard gaat met ernstige klachten en een neurologisch radiculair beeld. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat de opmerking van de neuroloog dat appellant nauwelijks belastbaar is, niet met argumenten is onderbouwd en bovendien ziet op een situatie na de datum in geding.

5.4. Naar het oordeel van de Raad berust het bestreden besluit op zorgvuldig medisch onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts heeft overgelegde medische informatie in zijn beoordeling betrokken. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan diens conclusie dat de medische informatie geen grond oplevert om per de datum in geding meer beperkingen aan te nemen.

5.5. CDA-fractievoorzitter Van Tellingen heeft verklaard dat de voortdurende gezondheidsklachten het appellant niet mogelijk maakten vanaf 2006 normaal zijn raadswerk te doen. Met de bezwaarverzekeringsarts is de Raad van oordeel dat deze verklaring niet tot een andere conclusie over de belastbaarheid kan leiden, aangezien - hetgeen appellant niet heeft weersproken - Van Tellingen geen medicus is en bij het beperkte functioneren van een raadslid vele niet-medische zaken een rol kunnen spelen.

5.6. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat de geschiktheid van de geselecteerde functies door de bezwaararbeidsdeskundige voldoende is toegelicht. De Raad is niet gebleken dat de belasting in de functies de belastbaarheid van betrokkene overschrijdt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant terecht in staat is geacht de geselecteerde functies te vervullen.

5.7. Appellant heeft het standpunt ingenomen dat de maatman is gewijzigd aangezien het meer dan 20 jaar geleden is dat hij de functie van chemisch wasser vervulde. De rechtbank heeft - in navolging van het Uwv - geoordeeld dat een maatmanwisseling niet aan de orde is omdat appellant nooit een hoger loon heeft verdiend dan in de functie van chemisch wasser. De Raad overweegt dat appellant geen argumenten heeft ingebracht waarom het oordeel van de rechtbank voor onjuist zou moeten worden gehouden. Ook overigens ziet de Raad in de wet- en regelgeving of de jurisprudentie geen steun voor het standpunt van appellant.

5.8. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.L. de Gier.

RK