Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1802

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2010
Datum publicatie
20-07-2010
Zaaknummer
09/3237 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering WIA-uitkering. Geen dringende redenen aanwezig op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Voor het aannemen van een dringende reden op grond van het rechtszekerheidsbeginsel is slechts aanleiding, indien sprake is van zo’n bijzonder geval dat strikte toepassing van artikel 77 van de Wet WIA geen rechtsplicht meer kan zijn. Volgens vaste rechtspraak is zulks slechts aan de orde in die gevallen waarin kan worden gewezen op een ondubbelzinnige, schriftelijke mededeling van het uitvoeringsorgaan, aan welke mededeling geen onjuiste of onvolledige inlichtingen van betrokkene ten grondslag lagen en betrokkene de onjuistheid van die mededeling niet behoefde te onderkennen. In het geval van appellante is hiervan geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3237 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 3 april 2009, 08/1246 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2010. Appellante was aanwezig. Voor het Uwv was aanwezig P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 3 juli 2008 heeft het Uwv met toepassing van artikel 77 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van appellante een bedrag van € 14.837,01 teruggevorderd, zijnde het bruto bedrag aan uitkering dat in de periode van 29 augustus 2006 tot en met 30 juni 2008 onverschuldigd aan haar betaalbaar is gesteld.

1.2. Bij besluit van 25 september 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 juli 2008 in zoverre gegrond verklaard dat van appellante wordt teruggevorderd het bedrag dat netto in evenvermelde periode te veel aan haar is uitbetaald, te weten € 10.239,93. Bij dit besluit heeft het Uwv erkend dat van zijn kant fouten zijn gemaakt. Om deze reden heeft het Uwv de loonbelasting en sv-premies voor zijn rekening genomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 25 september 2008 ongegrond verklaard. Bij haar uitspraak, waarin appellante is aangeduid als eiseres en het Uwv als verweerder, heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“Tussen partijen is niet in geschil dat de hoogte van het teruggevorderde bedrag juist is vastgesteld.

Aan de orde is de vraag of verweerder gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid ingevolge het vierde lid van artikel 77 om, vanwege dringende redenen, geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Uit de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van deze bepaling blijkt dat de wetgever van oordeel is dat het, wil er sprake zijn van dringende redenen als hier bedoeld, moet gaan om incidentele gevallen met onaanvaardbare consequenties voor de betrokkene. Wil een afwijking van de hoofdregel gerechtvaardigd zijn, dan moet er zoals blijkt uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 29 november 2007, LJN BB9275) iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn op grond waarvan een individuele afweging van alle relevante omstandigheden dient te worden gemaakt.Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de terugvordering voor eiseres onaanvaardbare gevolgen heeft zoals hiervoor bedoeld. Met de financiële omstandigheden van eiseres wordt rekening gehouden, doordat afhankelijk van haar inkomen de invordering wordt opgeschort dan wel een betalingsregeling wordt getroffen. De omstandigheid dat verweerder fouten heeft gemaakt waardoor aan eiseres teveel uitkering is uitbetaald, vormt evenmin een dringende reden om van terugvordering af te zien, omdat de fout van verweerder niet een gevolg, maar een oorzaak is van de terugvordering. De rechtbank kan zich voorstellen dat het voor eiseres moeilijk te accepteren is dat zij tot terugbetaling is gehouden, nu haar immers geen enkel verwijt valt te maken en zij volledig heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenplicht. Verweerder heeft er echter terecht op gewezen dat hij in verband met het dwingendrechtelijke karakter van artikel 77 van de Wet WIA gehouden is tot terugvordering.”

3.1. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd – in essentie een herhaling van hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd – heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen.

3.2. Met de rechtbank en met overneming van de door haar gebezigde overwegingen is de Raad van oordeel dat in het geval van appellante geen dringende redenen aanwezig zijn op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de door het Uwv gemaakte fout de oorzaak is van de terugvordering en niet behoort tot de gevolgen die de terugvordering voor een verzekerde heeft. De Raad wijst in dit verband op zijn uitspraak van

6 september 2002, LJN AE8699.

3.3. De Raad voegt in lijn met zijn uitspraak van 6 september 2002 aan het vorenstaande nog toe dat voor het aannemen van een dringende reden op grond van het rechtszekerheidsbeginsel slechts aanleiding is, indien sprake is van zo’n bijzonder geval dat strikte toepassing van artikel 77 van de Wet WIA geen rechtsplicht meer kan zijn. Volgens vaste rechtspraak is zulks slechts aan de orde in die gevallen waarin kan worden gewezen op een ondubbelzinnige, schriftelijke mededeling van het uitvoeringsorgaan, aan welke mededeling geen onjuiste of onvolledige inlichtingen van betrokkene ten grondslag lagen en betrokkene de onjuistheid van die mededeling niet behoefde te onderkennen. In het geval van appellante is hiervan geen sprake.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dan ook moet worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.L. de Gier.

RK