Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1749

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2010
Datum publicatie
20-07-2010
Zaaknummer
09-6779 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard, wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. Bewijslast rust op betrokkene. Hij bracht geen bewijs bij voor zijn stelling dat hij het bezwaarschrift op zondag 22 maart 2009 ter post bezorgde. De onleesbaarheid of het ontbreken van het poststempel komt (bij gewone post) voor risico van de verzender. Hieruit volgt de conclusie dat betrokkene te laat bezwaar maakte. Het Uwv neemt op grond van zijn in het Reglement behandeling bezwaarschriften neergelegde beleid aan dat het bezwaar tijdig is gemaakt. Weliswaar is het voor betrokkene begunstigend en zijn er geen belangen van derden betrokken, toch mist het beleid van het Uwv in dit geval (iedere) betekenis. De reden is dat het een bepaling van openbare orde betreft. In de memorie van antwoord aan de Tweede kamer bij artikel 8:69 van de Awb, sprak de regering zich uit dat regels inzake bevoegdheid en ontvankelijkheid van openbare orde zijn en niet ter vrije beschikking van partijen staan en dat de rechter zich niet zal conformeren aan een ten onrechte verschoonbaar geoordeelde termijnoverschrijding. Verder niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat betrokekne niet in verzuim was.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/231
AB 2010/241 met annotatie van A. Tollenaar
ABkort 2010/290
JB 2010/222 met annotatie van R.J.N. Schlössels
JIN 2010/750
USZ 2010/282
JIN 2010/794
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6779 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

(hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 november 2009, 09/2131 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 16 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant stelde hoger beroep in.

De zitting vond plaats op 4 juni 2010. Namens appellant verscheen mr. E. van Onzen. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van appellant van 16 april 2009 tot handhaving van de beschikking van 9 februari 2009 tot de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

2. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit van 16 april 2009 en verklaarde het bezwaar tegen de beschikking van 9 februari 2009 niet-ontvankelijk. De reden hiervoor is dat betrokkene onverschoonbaar te laat bezwaar maakte.

3.1. De Raad gaat in zijn beoordeling uit van de volgende feiten.

3.2. Appellant zond zijn besluit op 9 februari 2009 aan betrokkene toe en betrokkene ontving dat besluit. Betrokkene maakte bezwaar tegen dat besluit met een op 22 maart 2009 gedateerd, door appellant op 25 maart 2009 ontvangen bezwaarschrift.

3.3. Het poststempel van de envelop waarin het bezwaarschrift is verzonden, is onleesbaar.

4. In hoger beroep voert appellant aan dat hij op grond van zijn in het Reglement behandeling bezwaarschriften UWV 2009 (Stcrt 2009, 2559, hierna: het Reglement) neergelegde beleid aanneemt dat het bezwaar tijdig is gemaakt.

5.1. De Raad overweegt het volgende.

5.2. De bezwaartermijn begon op 10 februari 2009. De laatste dag waarop tijdig bezwaar kon worden gemaakt was 23 maart 2009. Appellant ontving het bezwaarschrift dus na afloop van de bezwaartermijn.

5.3.1. Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn per post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

5.3.2. Het bezwaarschrift is ter post bezorgd op het moment dat het in de brievenbus is gedeponeerd of op het postkantoor is aangeboden. Daarvoor is dus niet doorslaggevend het moment dat het van een poststempel is voorzien, al zal in de rechtspraktijk aan het poststempel een sterke bewijskracht toekomen. De bewijslast voor de tijdige terpostbezorging rust op de afzender, tenzij de envelop met het poststempel door toedoen van het uitvoeringsorgaan is verloren gegaan of het bestuursorgaan anderszins de bewijsvoering heeft bemoeilijkt.

5.3.3. Die uitzondering doet zich hier niet voor, dus de bewijslast rust op betrokkene. Hij bracht geen bewijs bij voor zijn stelling dat hij het bezwaarschrift op zondag 22 maart 2009 ter post bezorgde. De onleesbaarheid of het ontbreken van het poststempel komt (bij gewone post) voor risico van de verzender. Hieruit volgt de conclusie dat betrokkene te laat bezwaar maakte.

5.4.1. De beleidsregel waarop appellant zich beroept luidt (artikel 26, tweede lid, laatste volzin van het Reglement):

“Hierbij geldt dat een per post ontvangen stuk tijdig is als het uiterlijk op de laatste dag van de termijn per post is bezorgd en binnen één week hierna is ontvangen”.

5.4.2. Die beleidsregel bevat dus een herhaling van de inhoud van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb en geen uitleg van die bepaling.

5.4.3. Wel bevat de toelichting bij deze beleidsregel de volgende tekst:

“Het poststempel is bepalend voor de verzenddatum. In het geval de datum poststempel ontbreekt (zoals bij een portvrije enveloppe) of onleesbaar is, wordt ervan uitgegaan dat het stuk tijdig is verzonden als het stuk niet is gedagtekend op een datum na de laatste dag van de termijn, mits het stuk niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.”

5.4.4. Die toelichting bevat – naar het oordeel van de Raad - een onjuiste rechtsopvatting over de toepassing van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb. Aan een verkeerde wetsuitleg in een beleidsregel is de rechter niet gebonden, al komt daaraan op grond van artikel 4:84 van de Awb soms (toch) betekenis toe.

5.4.5. Weliswaar is het voor betrokkene begunstigend en zijn er geen belangen van derden betrokken, toch mist het beleid van appellant in dit geval (iedere) betekenis. De reden is dat het een bepaling van openbare orde betreft. In de memorie van antwoord aan de Tweede kamer bij artikel 8:69 van de Awb, sprak de regering zich uit dat regels inzake bevoegdheid en ontvankelijkheid van openbare orde zijn en niet ter vrije beschikking van partijen staan en dat de rechter zich niet zal conformeren aan een ten onrechte verschoonbaar geoordeelde termijnoverschrijding (Tweede Kamer 1992-1993, 22495,

nr. 6 blz. 54).

5.5. Ten aanzien van een na afloop van de gestelde termijn ingediend bezwaarschrift blijft wegens het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim was. De Raad is niet gebleken van omstandigheden, welke betrokkene overigens ook niet aanvoert, op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat hij niet in verzuim was.

6. Het hoger beroep slaagt niet. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.

7. Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken. Nu de aangevallen uitspraak stand houdt, dient appellant een griffierecht van € 448,00 te voldoen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat de griffier van het Uwv een griffierecht van € 448,00 heft.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R. C. Stam en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) N.M. van Gorkum.

RK